Het vee
In naam van God, de Barmhartige, de
Genadevolle.
[6:1]
Alle lof komt God toe, Die de hemelen en de aarde schiep en
de duisternis en het licht deed ontstaan; toch stellen de ongelovigen gelijken
naast hun Heer.
[6:2]
Hij is het, Die u uit klei schiep en daarna een termijn
bepaalde. De vastgestelde termijn is bij Hem. Toch twijfel je.
[6:3]
En Hij is God in de hemelen en op aarde. Hij kent uw
innerlijk en uw uiterlijk en Hij weet, wat gij verdient.
[6:4]
En er komt van de tekenen van hun Heer geen teken tot hen of
zij wenden zich er van af.
[6:5]
Zij hebben de waarheid verloochend toen deze tot hen kwam,
maar de tijdingen waarover zij spotten zullen hen weldra bereiken.
[6:6]
Zien zij niet, hoeveel geslachten Wij vóór hen
hebben vernietigd? Wij hadden hun zulke macht op de aarde gegeven als Wij u
niet hebben geschonken en Wij zonden wolken over hen die regelmatig regen deden
neerstromen en Wij deden rivieren onder hen vloeien; daarna vernietigden Wij
hen vanwege hun zonden en deden een ander geslacht na hen ontstaan.
[6:7]
En al hadden Wij u een boek op perkament neergezonden en al hadden
zij het met hun handen betast, zouden de ongelovigen toch hebben gezegd:
"Dit is niets dan klaarblijkelijke tovenarij."
[6:8]
Zij zeggen: "Waarom is er geen engel tot hem (de
Profeet) neergezonden?" En indien Wij een engel zenden dan wordt de zaak afgedaan
en er wordt hun geen uitstel gegeven.
[6:9]
En als Wij een engel hadden aangesteld, zouden Wij hem als
mens hebben doen voorkomen en zo zouden Wij hetgeen zij verwarren, voor hen nog
verwarder hebben gemaakt.
[6:10]
En voorzeker de boodschappers vóór u werden
ook bespot, zo trof diegenen die bespotten, de straf voor hetgeen zij
bespotten.
[6:11]
Zeg: "Gaat op aarde rond en ziet, wat het einde was der
loochenaars."
[6:12]
Zeg: "Aan wie behoort hetgeen in de hemelen en op aarde
is?" Zeg: "Aan God." Hij heeft het op Zich genomen,
barmhartigheid te tonen. Voorzeker Hij zal u op de Dag der Opstanding
verzamelen, daaraan is geen twijfel. Zij, die hun zielen hebben tekort gedaan,
geloven niet.
[6:13]
Aan Hem behoort wat in nacht en dag bestaat. En Hij is de
Alhorende, Alwetende.
[6:14]
Zeg: "Zal ik een andere Beschermer nemen, dan God, de
Schepper der hemelen en der aarde, Die voedt en niet wordt gevoed?" Zeg:
"Het is mij bevolen, de eerste te zijn die zich onderwerpt." En
behoort niet tot de afgodendienaren.
[6:15]
Zeg: "Ik vrees, als ik mijn Heer niet gehoorzaam, de
straf van de grote Dag."
[6:16]
Van wie deze straf op die Dag is afgewend, God heeft hem
inderdaad barmhartigheid betoond. En dat is een klaarblijkelijke overwinning.
[6:17]
En als God u door schade treft, is er niemand die dit
[6:18]
Hij is de Oppermachtige over Zijn dienaren en Hij is de
Alwijze, en van alles op de hoogte.
[6:19]
Zeg: "Wie is het gewichtigst als getuige?" Zeg:
"God is getuige tussen u en mij. En deze Koran is mij geopenbaard, opdat
ik u en wie hij bereikt, moge waarschuwen. Getuig je werkelijk dat er andere
goden buiten God zijn?" Zeg: "Ik getuig niet." Zeg: "Hij is
de ene God en ik heb niets uitstaande met datgene wat gij met Hem
vereenzelvigt."
[6:20]
Degenen, wie Wij het Boek gaven, erkennen hem (de Profeet),
zoals zij hun kinderen erkennen. Maar zij, die hun ziel hebben tekort gedaan,
willen niet geloven.
[6:21]
En wie is onrechtvaardiger dan hij, die een leugen tegen God
uitdenkt of Zijn tekenen verloochent? Voorzeker, de onrechtvaardigen zullen
niet slagen.
[6:22]
(Gedenk) de Dag, waarop Wij hen allen zullen verzamelen, dan
zullen Wij zeggen tot degenen, die afgoderij pleegden: "Waar zijn uw
mededingers, die gij beweerdet (te bezitten)?"
[6:23]
Dan zal hun antwoord niet anders zijn dan dat zij zeggen:
"Bij God, onze Heer; wij waren geen afgodendienaren."
[6:24]
Zie, hoe zij tegen zichzelven liegen en hoe hetgeen zij
plachten te verzinnen voor hen verloren is gegaan.
[6:25]
Er zijn sommigen hunner, die naar u luisteren, maar Wij
hebben sluiers om hun hart gelegd en hun oren verstopt, zodat zij niet
begrijpen. En al zagen zij elk teken, zouden zij er toch niet in geloven;
wanneer zij tot u komen redetwisten zij met u, en de ongelovigen zeggen:
"Dit zijn niets dan fabelen der ouden."
[6:26]
En zij verbieden (anderen) en blijven er zelt verre van. En
zij deren niemand dan zichzelven, zij bemerken het echter niet.
[6:27]
En als gij het slechts zoudt kunnen zien, wanneer zij voor
het Vuur zullen worden gebracht! Zij zullen dan zeggen: "O, mochten wij
slechts worden teruggezonden, dan zouden wij de tekenen van onze Heer niet meer
verloochenen en wij zouden tot de gelovigen behoren."
[6:28]
Neen, hetgeen zij voorheen plachten te verbergen is hun
duidelijk geworden. En als zij zouden worden teruggezonden zoudden zij gewis
tot hetgeen hen was verboden terugkeren; Voorzeker zij zijn leugenaars.
[6:29]
En zij zeggen: "Er is niets dan ons leven van deze
wereld en wij kunnen niet worden opgewekt."
[6:30]
En wanneer gij het slechts zoudt kunnen zien, wanneer zij
voor hun Heer zullen worden gebracht, zal Hij zeggen: "Is dit niet de
waarheid?" Zij zullen antwoorden: "Ja zeker, bij onze Heer." Hij
zal zeggen: "Ondergaat dan de straf, omdat gij placht te verwerpen."
[6:31]
Voorzeker, zij, die de ontmoeting met God verloochenen,
benadelen zich, totdat het uur onverwachts over hen komt, en zij zullen zeggen:
"O, wij hebben wroeging, vanwege onze tekortkoming hierin." En zij
zullen hun lasten op hun ruggen dragen. Ziet toe, wat zij dragen is zeker
slecht.
[6:32]
Het wereldse leven is niets dan een spel en een ijdel
vermaak. Doch voor degenen die God vrezen, is het tehuis van het Hiernamaals
beter. Wil je dan niet begrijpen?
[6:33]
Wij weten zeer goed dat hetgeen zij zeggen u verdriet doet,
doch zij verloochenen u (profeet) niet, maar het zijn de tekenen van God die de
boosdoeners verwerpen.
[6:34]
Gewis, de boodschappers vóór u werden ook
verloochend en gekweld, niettemin bleven zij geduldig in datgene, waarvoor zij
waren verloochend; totdat onze hulp tot hen kwam. Er is niemand die de woorden
van God
[6:35]
En als hun afkeer u onverdraaglijk is, breng hun dan een
teken, indien gij een opening in de aarde of een ladder naar de hemelen kunt
vinden. En indian God wilde zou Hij hen zeker onder één leiding hebben
verzameld. Behoor dus niet tot de onwetenden.
[6:36]
Alleen degenen die luisteren, kunnen aannemen. De doden zal
God opwekken en dan zullen zij tot Hem worden teruggebracht.
[6:37]
En zij zeggen: "Waarom is er over hem geen teken van
zijn Heer neergezonden?" Zeg: "Voorzeker, God heeft de macht om een
teken neer te zenden." Maar de meesten hunner beseffen het niet.
[6:38]
En er is geen beest dat op de aarde kruipt, noch een vogel
die op zijn vleugels vliegt, of zij vormen gemeenschappen, zoals gij. Wij
hebben niets uit het Boek weggelaten. Dan zullen zij tot hun Heer tezamen
worden gebracht.
[6:39]
Zij, die Onze tekenen verloochenen, zijn doof en stom, in de
duisternis. God laat wie Hij wil dwalen en Hij plaatst op het rechte pad wie
Hij wil.
[6:40]
Zeg: "Wat denk je? Als de straf van God, of het uur over
u komt, zul je dan iemand anders aanroepen, dan God, als gij waarachtig
zijt?"
[6:41]
Neen, Hem alleen zul je aanroepen; dan zal Hij datgene
verwijderen waarvoor gij Hem aanroept als Hij dat wil en gij zult uw afgoderij
vergeten.
[6:42]
Wij zonden inderdaad tot de volkeren die vóór
u waren, (een profeet) toen troffen Wij hen (die volkeren) met armoede en
tegenspoed opdat zij zich mochten verootmoedigen.
[6:43]
Waarom verootmoedigden zij zich niet toen Onze straf over
hen kwam? Maar hun hart was verhard en Satan deed hun schoon schijnen al
hetgeen zij verrichtten.
[6:44]
Toen zij dan hetgeen waarvoor zij waren gewaarschuwd
vergaten, openden Wij hun de poorten van alle dingen (der wereld) totdat zij
verheugd werden over hetgeen hun was gegeven, dan grepen Wij hen onverwachts
aan en zie, zij werden wanhopig.
[6:45]
Zo werd de levensader van de mensen, die slecht handelden,
afgesneden. Alle lof komt God toe, de Heer der Werelden.
[6:46]
Zeg: Wat denk je? Als God uw gehoor en gezicht zou wegnemen
en uw hart zou verzegelen, wie is dan God buiten God die het u kon teruggeven?
Zie, hoe Wij de tekenen verklaren, toch wenden Zij zich af."
[6:47]
Zeg: "Wat denk je? Als de straf van God onverwachts of
openlijk tot u komt, zal iemand anders dan het onrechtvaardige volk vernietigd
worden?"
[6:48]
Wij zenden de boodschappers alleen als dragers van blijde
tijding en als waarschuwers. Over degenen, die geloven en zich verbeteren, zal
geen vrees komen noch zullen zij treuren.
[6:49]
En degenen, die Onze tekenen verloochenen, hen zal straf
raken, omdat zij niet gehoorzaam waren.
[6:50]
Zeg: "Ik zeg niet tot u, dat ik de schatten van God
bezit, noch dat ik het onzienlijke ken, noch zeg ik tot u: ’Ik ben een engel’;
ik volg slechts hetgeen mij wordt geopenbaard." Zeg: "Kunnen de
blinde en de ziende gelijk zijn? Wil je dan niet nadenken?"
[6:51]
Waarschuw daarmede degenen die vrezen, dat zij tot hun Heer
worden verzameld, dat zij buiten Hem vriend noch bemiddelaar hebben, opdat zij
(God) mogen vrezen.
[6:52]
En verdrijf niet degenen die hun Heer morgen en avond
aanroepen, Zijn aangezicht zoekend. Gij zijt volstrekt niet verantwoordelijk
voor hen, noch zijn zij enigermate verantwoordelijk voor u. Zoud je hen
verdrijven, dan zul je tot de onrechtvaardigen behoren.
[6:53]
En op deze wijze hebben Wij sommigen hunner door anderen
beproefd, zodat zij kunnen zeggen: "Zijn dezen het, die God onder ons
heeft begunstigd?" Kent God degenen die dankbaar zijn niet het beste?
[6:54]
Wanneer degenen die in Onze tekenen geloven, tot u komen,
zeg dan: "Vrede zij u." Uw Heer heeft barmhartigheid op zich genomen;
dus wie uwer in onwetendheid kwaad doet en daarna berouw heeft en zich
verbetert, (voor hem) is Hij Vergevensgezind, Genadevol.
[6:55]
En zo zetten Wij de tekenen uiteen opdat de weg der
schuldigen openbaar worde.
[6:56]
Zeg: "Het is mij verboden degenen, die gij naast God
aanroept, te aanbidden. Zeg: "Ik wil uw boze neigingen niet volgen. In dat
geval zal ik tot de dwalenden behoren en niet tot hen die het rechte pad
volgen."
[6:57]
Zeg: "Ik ben op de rechte weg van mijn Heer en gij
verloochent die. Maar wat gij verhaast is niet in mijn macht. De beslissing
berust slechts bij God. Hij zet de waarheid uiteen en Hij is de beste der
seheidsrechters."
[6:58]
Zeg: "Als hetgeen gij verhaast in mijn macht was, zou
de zaak voorzeker tussen u en mij reeds zijn beslist. En God kent de
onrechtvaardigen met beste.
[6:59]
En bij Hem zijn de sleutels van het onzienlijke; niemand
kent dit, behalve Hij. En Hij weet wat op het land en wat in de zee is. En er
valt geen blad zonder dat Hij het weet, noch is er een korrel in de duisternis
der aarde, noch iets dat groen of droog is, zonder dat het in een duidelijk
Boek is vermeld.
[6:60]
Hij is het, Die uw ziel in de nacht neemt en weet hetgeen
gij overdag doet; daarna wekt Hij u weer op, opdat de vastgestelde termijn moge
worden voltooid. Dan is uw terugkeer tot Hem. Daarna zal Hij u inlichten over
hetgeen gij deedt.
[6:61]
Hij is oppermachtig over Zijn dienaren en Hij zendt bewakers
over u, totdat, wanneer de dood tot een uwer komt, Onze boodschappers zijn ziel
wegnemen; zij falen daarin niet.
[6:62]
Dan worden zij tot God, hun ware Heer teruggebracht.
Voorzeker, de beslissing ligt in Zijn handen; en Hij verrekent het snelst."
[6:63]
Zeg: "Wie verlost u van de rampen van het land en van
de zee wanneer gij Hem in nederigheid en in het geheim aanroept? (zeggende):
’Indien Hij ons hiervan redt zullen wij zeker tot de dankbaren behoren."
[6:64]
Zeg: "God verlost u van deze en van elke andere nood en
toch schrijf je deelgenoten (medegoden) aan Hem toe."
[6:65]
Zeg: "Hij heeft macht om u van boven of van onder u
straf toe te zenden, u in groepen te verdelen en elkander geweld aan te laten
doen." Zie, hoe Wij de tekenen uiteenzetten opdat zij mogen begrijpen.
[6:66]
En uw volk heeft het verworpen, ofschoon het de waarheid is.
Zeg: "Ik ben geen voogd over u."
[6:67]
Er is voor elke profetie een vastgestelde tijd en gij zult
het weldra te weten komen.
[6:68]
Wanneer gij degenen ziet, die Onze tekenen bespotten, wendt
u dan van hen af, totdat zij een ander gesprek beginnen. En als Satan het u
doet vergeten zit dan niet, nadat het in uw herinnering opkomt, met het
onrechtvaardige volk bijeen.
[6:69]
En degenen die God vrezen, zijn in het geheel niet
verantwoordelijk voor hen, behalve voor de vermaning, opdat zij behoed zullen
worden.
[6:70]
Laat degenen die hun geloof tot een spel en tijdverdrijf
hebben gemaakt en wie het wereldse leven heeft bedrogen, met rust. En waarschuw
hiermee, opdat een ziel niet moge worden overgeleverd voor hetgeen zij heeft
gedaan. Zij zal naast God geen helper of bemiddelaar hebben. En indien zij
(zelfs) alles als losprijs zou aanbieden, zal deze van haar niet worden aanvaard.
Dezen zijn het, die zijn overgeleverd voor hetgeen zij verdienden. Zij zullen
een drank van kokend water en een smartelijke straf ontvangen, omdat zij
verwerpen.
[6:71]
Zeg: "Zullen wij naast God datgene aanroepen wat ons
noch bevoordelen noch schaden kan, dan worden wij, nadat God ons heeft geleid,
van het rechte pad verwijderd, zoals iemand die de bozen hebben neergeveld op
de aarde in een toestand van verbijstering en die metgezellen heeft die hem tot
de weg roepen, zeggende: ’Kom tot ons’?" Zeg: "De leiding van God is
voorzeker de enige leiding en het is ons bevolen ons aan de Heer der Werelden
te onderwerpen."
[6:72]
En: "Onderhoudt het gebed en vreest Hem, tot Wie gij
zult worden verzameld."
[6:73]
En Hij is het, Die de hemelen en de aarde in werkelijkheid
schiep. En de dag, waarop Hij zegt: "Wees", wordt het. Zijn woord is
werkelijkheid; en aan Hem behoort het koninkrijk op de Dag waarop de bazuin zal
worden geblazen. De Kenner v an het onzichtbare en het zichtbare. Hij is de
Alwijze, de Al- kennende.
[6:74]
Toen Abraham tot zijn vader Azar zeide: "Neem je
afgoden tot Goden? Ik zie u en uw volk in duidelijke dwaling."
[6:75]
Zo toonden Wij Abraham het koninkrijk der hemelen en der
aarde, opdat hij tot de vastgelovenden zou behoren.
[6:76]
En toen de nacht over hem kwam, zag hij een ster. Hij zeide:
"Dit is mijn Heer." Maar toen zij onderging, zeide hij: "Ik heb
de dingen, die ondergaan niet lief."
[6:77]
En toen hij de maan zag glanzen, zeide hij: "Dit is
mijn Heer." Maar toen zij onderging zeide hij: "Had mijn Heer mij
niet geleid dan zou ik zeker tot het dwalende volk behoren."
[6:78]
En toen hij de zon zag stralen zeide hij: "Dit is mijn
Heer. Dit is de grootste" Maar toen zij onderging, zeide hij: "O,
mijn volk, ik heb niets uitstaande met uw afgoden."
[6:79]
Ik heb mijn aangezicht oprecht gewend tot Hem, Die de
hemelen en de aarde schiep en ik behoor niet tot de afgodendienaren.
[6:80]
En zijn volk redetwistte met hem. Hij zeide: "Redetwist
gij met mij omtrent God, terwijl Hij mij recht heeft geleid? En ik vrees
hetgeen gij met Hem vereenzelvigt niet, tenzij mijn Heer iets wenst. Mijn Heer
omvat alle dingen in Zijn kennis. Wil je er dan geen lering uit trekken?"
[6:81]
En hoe kan ik uw afgoden vrezen, terwijl gij zelf uw
afgoderij niet vreest waarvoor God u geen gezag heeft neergezonden? Wie van de
twee partijen is dan veiliger, als gij dat weet?
[6:82]
Zij die geloven en hun geloof niet met onrechtvaardigheid
vermengen - dezen zijn het, die vrede zullen hebben want zij zijn recht geleid.
[6:83]
En dit is onze bewijsgrond die Wij Abraham tegen zijn volk
gaven. Wij verheffen graadsgewijze, wie Wij willen. Voorzeker, Uw Heer is
Alwijs, Alwetend.
[6:84]
En Wij gaven hem Izaäk en Jacob; Wij leidden elk hunner
en voordien leidden Wij Noach en van zijn afstammelingen: David, Salomo, Job,
Jozef, Mozes en Aäron. Zo belonen Wij de goeden.
[6:85]
En Zacharia, Johannes, Jezus en Elias. Elk hunner behoorde
tot de deugdzamen.
[6:86]
En Ismaël, Elisa, Jonas en Lot; elk hunner verhieven Wij
boven de volkeren.
[6:87]
En van hun vaderen en hun kinderen en hun broederen verkozen
Wij enigen en leidden hen op het rechte pad.
[6:88]
Dit is de leiding van God, Hij leidt daarmee van Zijn
dienaren, wie Hij wil. En, indien zij iets naast Hem hadden aanbeden, zou
voorzeker al hetgeen zij plachten te doen, verloren zijn gegaan.
[6:89]
Dezen zijn het, wie Wij het Boek en de heerschappij en het
profetenambt gaven. Maar nu dezen er ondankbaar voor zijn, hebben Wij deze aan
een volk toevertrouwd dat er niet ondankbaar voor zal zijn.
[6:90]
Dezen zijn het, die God juist heeft geleid; volgt daarom hun
leiding. Zeg: "Ik vraag u er geen beloning voor. Dit is niets dan een
vermaning aan alle volkeren."
[6:91]
En zij schatten de juiste waarde van God niet wanneer zij
zeggen: "God heeft aan niemand iets geopenbaard." Zeg: "Wie
openbaarde het Boek dat Mozes bracht als licht en leiding voor de mensen - dat
gij op papieren schrijft, en bekend maakt, terwijl gij toch veel verbergt en
(waardoor) aan u is onderwezen, hetgeen gij noch uw vaderen wisten?" -
Zeg: "God". Laat hen dan met rust om zich met hun ledig spel te
vermaken.
[6:92]
En dit Boek vol zegeningen, hebben Wij geopenbaard,
vervullende, hetgeen er aan voorafging, opdat gij de moeder der steden (Mekka)
en wat er omheen is zoudt waarschuwen. En degenen die in het Hiernamaals
geloven, geloven er in en zij waken over hun gebed.
[6:93]
En wie is onrechtvaardiger dan hij die een leugen over God
uitdenkt of zegt: "Het is mij geopenbaard," terwijl hem niets is
geopenbaard en die zegt: "Ik zal iets neerzenden dat gelijk is aan hetgeen
God heeft neergezonden?" O, kon je het waarnemen, wanneer de
onrechtvaardigen in doodsstrijd zijn en de engelen hun handen uitstrekken,
(zeggende): "Geeft uw zielen op. Deze dag zal u de straf der schande
worden toegekend, voor hetgeen gij ten onrechte tegen God zeidet en omdat gij u
hoogmoedig van Zijn tekenen afwenddet.
[6:94]
Nu zijt gij één voor één tot Ons gekomen zoals Wij u eerst
schiepen en gij hebt, hetgeen Wij u schonken achter u gelaten en Wij zien de
bemiddelaren, waarvan gij beweerdet dat zij deelgenoten waren in uw zaken, niet
bij u. Voorzeker is nu (de band) tussen u afgesneden en hetgeen gij placht te
beweren is verloren gegaan.
[6:95]
Voorwaar, het is God die de graankorrel en de dadelpit doet
uitspruiten. Hij brengt de levenden uit de doden voort en is de Voortbrenger
van doden uit de levenden. Dat is God, waarheen word je dan afgewend?
[6:96]
Hij doet de dag aanbreken en Hij heeft de nacht voor rust
ingesteld en de zon en de maan voor het uitrekenen (der jaargetijden). Dat is
de ordening van de Almachtige, de Alwetende.
[6:97]
Hij is het, Die de sterren voor u heeft gemaakt, opdat gij
daardoor de juiste richting in de duisternissen van het land en van de zee
moogt volgen. Wij hebben de tekenen uitgelegd aan een volk, dat kennis bezit.
[6:98]
En Hij is het, Die u van uit één ziel heeft voortgebracht en
er is een verblijfplaats en een bewaarplaats voor u. Wij hebben de tekenen
verklaard aan een volk dat begrijpt.
[6:99]
En Hij is het, Die water uit de wolken neerzendt en daardoor
elke soort van groei voortbrengt. En evenzo brengen Wij daarmee groen, waarvan
Wij korenaren voortbrengen. En er komen uit de scheden van de dadelpalm
laaghangende trossen. En Wij (brengen er) wijngaarden en de olijf en de
granaatappel (mee voort) van gelijke en ongelijke soort. Kijkt naar het fruit
ervan, wanneer het vrucht zet en naar het rijpen daarvan. Hierin zijn voorzeker
tekenen voor een volk dat (wil) geloven.
[6:100]
En zij houden de djinn voor deelgenoten van God ofschoon Hij
dezen schiep; en zij dichten Hem, zonder kennis, zonen en dochters toe. Heilig
is Hij en verheven boven hetgeen zij Hem toeschrijven.
[6:101]
Wondere Schepper der hemelen en der aarde. Hoe kan Hij een
zoon hebben, wanneer Hij geen gemalin heeft? Hij heeft alles geschapen; en Hij
is de Kenner van alle dingen.
[6:102]
Zo is God, uw Heer. Er is geen God naast Hem, (Hij is) de
Schepper aller dingen, aanbidt Hem Want Hij is de Voogd over alles.
[6:103]
Ogen kunnen Hem niet bereiken; maar Hij bereikt de ogen.
Want Hij is de Ontastbare, de Alwetende.
[6:104]
Er zijn inderdaad bewijzen van uw Heer tot u gekomen, wie
dus ziet het is voor hemzelf en wie blind wordt het is tegen hemzelf. En ik ben
geen bewaker over u.
[6:105]
En zo zetten Wij de tekenen uiteen, zodat zij zeggen:
"Gij hebt het geleerd (van iemand)", en opdat Wij het aan een volk
dat kennis heeft, mogen duidelijk maken.
[6:106]
Volg, hetgeen u van uw Heer is geopenbaard: er is geen God
naast Hem; en wend u van de afgodendienaren af.
[6:107]
En als God had gewild, zouden zij geen goden hebben
opgericht. Wij hebben u (de Profeet) geen bewaker over hen gemaakt, noch ben je
voogd over hen.
[6:108]
En scheldt degenen, die zij naast God aanroepen niet uit,
anders zullen zij uit nijd in hun onwetendheid God uitschelden. Zo hebben Wij
voor elk volk hun daden schoon doen schijnen. Dan zullen zij tot hun Heer
terugkeren en Hij zal hen inlichten over hetgeen zij plachten te doen.
[6:109]
En zij zweren hun sterkste eden bij God, dat, indien er een
teken tot hen zou komen, zij er gewis in zouden geloven. Zeg: "Voorzeker,
de tekenen zijn bij God." En wat weet gij: Wanneer de tekenen komen,
zullen zij stellig niet geloven.
[6:110]
En Wij zullen hun hart en ogen in verwarring brengen, omdat
zij er voor de eerste keer niet in geloofden en Wij zullen hen in hun
overtreding blindelings laten dwalen.
[6:111]
En zelfs al zonden Wij engelen tot hen neer en al spraken de
doden tot hen en Wij verzamelden voor hen alle dingen van aangezicht tot
aangezicht, zij zouden er niet in geloven, tenzij God dit wilde. Maar de
meesten hunner gedragen zich onwetend.
[6:112]
Op dezelfde wijze hebben Wij een vijand voor elke profeet
gemaakt, bozen van onder de mensen en de djinn. Zij fluisteren elkander vergulde
woorden in om te bedriegen - en als uw Heer had gewild, zouden zij het niet
hebben gedaan; laat hen daarom met rust met hetgeen zij verzinnen.
[6:113]
En opdat de harten dergenen die niet in het Hiernamaals
geloven er zich toe neigen en zij er tevreden mee mogen zijn en dat zij mogen
verdienen hetgeen zij willen verdienen.
[6:114]
Zal ik als rechter iemand anders zoeken dan God, terwijl Hij
het is, Die u het Boek heeft neergezonden dat uitvoerig is verklaard? En
degenen, wie Wij het Boek gaven weten dat het van uw Heer is neergezonden met
de waarheid; behoort daarom niet tot degenen die twijfelen.
[6:115]
En het woord van uw Heer is in waarheid en rechtvaardigheid
vervuld. Niemand kan Zijn woorden veranderen; Hij is de Alhorende, de
Alwetende.
[6:116]
En als gij het merendeel dergenen die op aarde zijn, volgt,
zullen zij u van God’s weg doen afdwalen. Zij volgen slechts vermoedens en zij
doen niets dan gissen.
[6:117]
Voorzeker, uw Heer weet het beste wie van Zijn weg afdwaalt
en Hij kent degenen, die recht geleid zijn.
[6:118]
Eet daarom van hetgeen waarover de naam van God is
uitgesproken als gij in Zijn tekenen gelooft.
[6:119]
En welke reden heb je, dat gij niet van datgene zoudt eten, waarover
de naam van God is uitgesproken, terwijl Hij u reeds heeft uitgelegd wat Hij u
heeft verboden, - met uitzondering van datgene waartoe gij gedwongen zijt. En
voorzeker, velen misleiden door hun boze neigingen zonder kennis. Waarlijk, uw
Heer kent de overtreders het beste.
[6:120]
En schuwt openlijke, alsmede geheime zonden. Gewis, degenen
die zonden begaan, zal voor hetgeen zij doen, worden vergolden.
[6:121]
En eet niet van hetgeen, waarover de naam van God niet is
uitgesproken, want dat is zeker ongehoorzaamheid. En de bozen sporen hun
vrienden aan opdat zij met u mogen redetwisten. Als gij hen gehoorzaamt zul je
inderdaad afgodendienaren zijn.
[6:122]
Is hij, die dood was en wie Wij het leven gaven en voor wie
Wij een licht maakten waardoor hij onder de mensen wandelt, gelijk aan hem,
wiens toestand zodanig is dat hij in de duisternissen verblijft waaruit hij
niet kan wegkomen? Zo werd voor de ongelovigen schoonschijnend gemaakt hetgeen
zij deden.
[6:123]
En zo hebben Wij in elke stad de groten tot haar schuldigen
gemaakt zodat zij er in samenspannen en zij smeden slechts tegen hun eigen
ziel, maar zij bemerken het niet.
[6:124]
En wanneer er tot hen een teken komt, zeggen zij: "Wij
zullen niet geloven voordat ons hetzelfde is gegeven als hetgeen God’s
boodschappers is gegeven." God weet het beste waar Zijn boodschapte
plaatsen. Vernedering bij God en een strenge straf zal de overtreders voorzeker
treffen, wegens hetgeen zij beramen.
[6:125]
Wie God ook wenst te leiden, Hij verruimt zijn hart voor de
Islam en wie Hij wenst te laten dwalen, zijn hart maakt Hij eng en gesloten
alsof hij een hoogte aan het beklimmen was. Zo legt God degenen die niet
geloven, onreinheid op.
[6:126]
En dit is het rechtleidende pad van uw Heer. Wij hebben de
tekenen inderdaad verduidelijkt voor een volk dat er lering uit wil trekken.
[6:127]
Voor hen is het Huis van Vrede (het Paradijs) bij hun Heer
en Hij is hun Vriend, wegens hetgeen zij doen.
[6:128]
De Dag, waarop Hij hen allen tezamen zal verzamelen, (zal
Hij zeggen): "O, gezelschap van djinn, gij hebt een grote hoeveelheid
mensen tot u getrokken." En hun vrienden onder de mensen zullen zeggen:
"Onze Heer, wij hebben van elkander geprofiteerd, maar nu hebben wij de
termijn welke Gij voor ons hebt vastgesteld bereikt." Hij zal zeggen:
"Het Vuur is uw tehuis waarin gij zult vertoeven, behalve wat God moge
behagen." Voorzeker, uw Heer is Alwijs, Alwetend.
[6:129]
En op dezelfde wijze maken Wij sommigen der onrechtvaardigen
tot vrienden voor de anderen, voor hetgeen zij verdienen.
[6:130]
O, gezelschap van djinn en mensen. Kwamen er niet uit uw
midden boodschappers tot u die u Mijn tekenen verhaalden en die u voor de
ontmoeting van deze Dag waarschuwden? Zij zullen zeggen: "Wij getuigen
tegen onszelven." Het wereldse leven bedroog hen. En zij zullen tegen
zichzelf getuigen, dat zij ongelovigen waren.
[6:131]
Dit komt, omdat uw Heer de steden niet onrechtvaardig wilde
vernietigen, terwijl de mensen er van onbewust waren.
[6:132]
En er zijn voor allen graden overeenkomstig hetgeen zij doen
en uw Heer is niet onopmerkzaam jegens hetgeen zij doen.
[6:133]
En uw Heer is Onafhankelijk, Barmhartig. En als Hij het wil,
kan Hij u wegnemen en u doen opvolgen wie Hij wil, zoals Hij u uit het
nageslacht van andere mensen deed ontstaan.
[6:134]
Hetgeen u is beloofd, zal voorzeker geschieden en gij kunt
het niet voorkomen.
[6:135]
Zeg: "O mijn volk, handel naar uw vermogen, ik handel
ook. Gij zult weldra weten voor wie de uiteindelijke beloning van het tehuis
zal zijn." Waarlijk de onrechtvaardigen slagen nooit.
[6:136]
En zij hebben God een deel van de oogsten en van het vee
aangewezen, dat Hij heeft voortgebracht en zij zeggen: "Dit is voor God en
dit is voor onze goden," zoals zij het zich denken. Maar hetgeen voor hun
afgoden is, bereikt God niet, terwijl hetgeen voor God is, hun afgoden wel
bereikt. Slecht is hetgeen zij oordelen.
[6:137]
Op dezelfde manier hebben voor velen der afgodendienaren hun
afgoden het doden hunner kinderen schoonschijnend gemaakt, opdat zij hen mogen
vernietigen en verwarring in hun godsdienst doen ontstaan. En als God het
wilde, zouden zij dit niet hebben gedaan, laat hen daarom met rust met hetgeen
zij verzinnen.
[6:138]
Zij zeggen: "Dit en dat vee en die en die oogsten zijn
verboden, niemand zal er van eten, dan wie het ons belieft" - alzo beweren
zij - en er is vee, welks ruggen verboden zijn en er is vee, waarover zij de
naam van God niet uitspreken en zij bedenken een leugen over Hem. Hij zal hen
weldra vergelden, hetgeen zij verzinnen.
[6:139]
En zij zeggen: "Hetgeen in de baarmoeders van dit en
dat vee is, is uitsluitend voor onze mannen en is onze vrouwen verboden, maar
als het dood geboren wordt hebben zij allen er deel aan." Hij zal hen naar
hun bewering belonen. Voorzeker, Hij is Alwijs, Alwetend.
[6:140]
Zij, die hun kinderen door gebrek aan kennis uit domheid
doden en hetgeen, waarvan God hen heeft voorzien, onwettig maken, een leugen
over God smedende, zijn inderdaad afgedwaald - noch kunnen zij recht geleid
worden.
[6:141]
Hij is het, Die tuinen doet ontstaan, wel of niet gestut en
de dadelpalm en de korenvelden, waarvan de vruchten van verschillende soorten
zijn en de olijf en de granaatappel van gelijke en ongelijke soort. Eet de
vruchten ervan wanneer zij vruchten dragen, maar betaalt op de dag van de
oogst, wat Hem verschuldigd is en verkwist het niet. Voorzeker, God heeft de
verkwisters niet lief.
[6:142]
En Hij schiep onder het vee lastvee en slachtvee. Eet van
hetgeen God u heeft voorzien en volgt de voetstappen van Satan niet. Voorzeker,
hij is een openlijke vijand voor u.
[6:143]
Acht, in paren: Twee van de schapen en twee van de geiten.
Zeg: "Zijn het de twee mannelijke dieren, die Hij heeft verboden, of de
twee vrouwelijke dieren, ofwel, hetgeen de baarmoeders der twee vrouwelijke
dieren bevatten? Onderricht mij met zekerheid, indien gij waarachtig
zijt."
[6:144]
En twee der kamelen en twee der runderen. Zeg: "Zijn
het de twee mannelijke dieren die Hij heeft verboden of de twee vrouwelijke
dieren ofwel, hetgeen de baarmoeders der twee vrouwelijke dieren bevatten? Was
je aanwezig toen God u dit oplegde? Wie is dan onrechtvaardiger dan hij die een
leugen over God bedenkt om de mensen zonder kennis te doen dwalen?"
Voorzeker, God leidt het onrechtvaardige volk niet.
[6:145]
Zeg: "Ik vind in hetgeen mij is geopenbaard niets, dat
een eter is verboden te eten, met uitzondering van het gestorvene of vloeiend
bloed of varkensvlees, want dit alles is onrein - of, wat in overtreding is,
waarover een andere naam dan God’s is aangeroepen. Maar wie door noodzaak wordt
gedreven en niet begerig is noch de grens overschrijdt: uw Heer is dan
voorzeker Vergevensgezind, Genadevol.
[6:146]
Wij verboden de Joden alle dieren die klauwen hebben en Wij
verboden hun het vet van runderen, schapen en geiten, anders dan wat hun ruggen
of hun ingewanden dragen of hetgeen met een been is gemengd. Dit is de
vergelding, welke Wij hun voor hun opstandigheid gaven. En Wij zijn voorzeker
Waarachtig.
[6:147]
En indien zij u verloochenen zeg: "Uw Heer is de Heer der
alomvattende Barmhartigheid doch Zijn straf zal van het schuldige volk niet
worden afgewend."
[6:148]
Zij die afgoderij bedrijven, zullen zeggen: "Als God
het had gewild hadden wij noch onze vaderen afgoderij bedreven, noch hadden wij
iets onwettig verklaard." Op dezelfde wijze loochenden ook zij die
vóór hen waren, totdat zij Onze straf ondergingen. Zeg: "Heb
je enige kennis? Toont het ons dan. Gij volgt niets dan vermoedens en gij doet
niets dan liegen."
[6:149]
Zeg: "Van God is het afdoende bewijs. Als Hij had
gewild zou Hij u zeker allen hebben geleid."
[6:150]
Zeg: "Brengt uw getuigen die getuigenis willen
afleggen, dat God dit heeft verboden.’’ Als zij getuigen, getuig niet met hen,
noch volg de boze neigingen van degenen die Onze tekenen verloochenen en van
degenen, die niet in het Hiernamaals geloven en die medegoden aan hun Heer
toeschrijven.
[6:151]
Zeg: "Komt, ik zal u verkondigen, wat uw Heer heeft
verboden;" n.l. dat gij iets met Hem vereenzelvigt en dat gij uw ouders
niet goed behandelt en dat gij uw kinderen uit armoede doodt. - Wij zijn het,
Die voor u en voor hen zorgen - en dat gij onbetamelijke daden hetzij openlijk
of in het geheim begaat en dat gij een ziel ten onrechte doodt die God heilig
heeft verklaard. Dit is, hetgeen Hij u heeft bevolen, opdat gij moogt
begrijpen.
[6:152]
Beheert het eigendom van de wees, voordat hij volwassen is,
niet anders dan op de beste wijze. En geeft de volle maat en het volle gewicht
met rechtvaardigheid. Wij belasten geen ziel boven haar vermogen. En leeft,
wanneer gij spreekt, rechtvaardigheid na, zelfs wanneer het een bloedverwant
betreft en vervult het verbond van God. Dit is, hetgeen Hij u vermaant, opdat
gij er lering uit moogt trekken.
[6:153]
En dit is het rechte pad dat tot Mij leidt. Volgt het daarom
en volgt geen andere wegen opdat zij u niet van Mijn weg afleiden. Hiertoe
vermaant Hij u, opdat gij vroom moogt zijn.
[6:154]
En Wij gaven Mozes het Boek, als voltooiing van de gunst aan
hem die goed wilde doen en een uitleg van alle dingen en een leidraad en een
barmhartigheid, opdat zij in de ontmoeting van hun Heer mochten geloven.
[6:155]
En dit is een Boek dat Wij hebben neergezonden, vol van
zegeningen. Volgt het daarom en hoedt u, opdat u barmhartigheid mag worden
betoond.
[6:156]
Opdat gij niet zoudt zeggen: "Het Boek was alleen
geopenbaard voor twee volkeren die vóór ons leefden, en wij waren
inderdaad met de inhoud er van onbekend."
[6:157]
Of ingeval gij zoudt zeggen: "Voorzeker, als ons het
Boek was neergezonden, zouden wij beter zijn geleid dan zij." Er is nu een
duidelijk bewijs, leiding en barmhartigheid van uw Heer tot u gekomen. Wie is
onrechtvaardiger dan hij die de tekenen van God verwerpt en er zich van
afkeert? Wij zullen degenen, die zich van Onze tekenen afwenden met een
vreselijke straf vergelden omdat zij zich hebben afgewend.
[6:158]
Verwachten zij niets anders dan dat engelen tot hen zouden
komen, of dat hun Heer zou verschijnen of dat enige der tekenen van uw Heer
zouden plaatshebben? Op de dag, wanneer enige der tekenen van uw Heer zullen
verschijnen, zal het geloven geen ziel baten die voorheen niet geloofde noch
iets goeds door haar geloof verdiende. Zeg: "Wacht, Wij wachten ook."
[6:159]
Degenen, die scheiding in hun godsdienst maken en zich in
secten verdelen - gij hebt met hen niets uitstaande. Hun zaak rust in God’s
handen dan zal Hij hen bekend maken met hetgeen zij deden.
[6:160]
Wie een goede daad verricht zal tienmaal zoveel ontvangen,
maar wie een slechte daad verricht zal alleen een daaraan gelijke vergelding
ontvangen; hun zal geen onrecht worden aangedaan.
[6:161]
Zeg: "Wat mij betreft, mijn Heer heeft mij op het
rechte pad geleid - een goed geloof, de godsdienst van Abraham, de oprechte. En
hij behoorde niet tot de afgodendienaren."
[6:162]
Zeg: "Mijn gebed en mijn offer, mijn leven en mijn dood
zijn gewijd aan God, de Heer der Werelden."
[6:163]
Hij heeft geen gelijken. Zo is mij bevolen en ik ben de
eerste der Moslims.
[6:164]
Zeg: "Zal ik een andere Heer begeren buiten God,
terwijl Hij de Heer aller dingen is?" En geen ziel handelt dan voor
zichzelf alleen, noch draagt een lastdrager de last van anderen. Dan zal uw
terugkeer tot uw Heer zijn en Hij zal u verklaren, waarover gij twisttet.
[6:165]
En Hij is het, die u op aarde tot opvolgers maakte en Hij
heeft sommigen uwer in rang boven anderen verheven, opdat Hij u door hetgeen
Hij u heeft gegeven, moge beproeven. Voorzeker, uw Heer is vlug in het straffen
en voorzeker, Hij is Vergevensgezind, Genadevol.