بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ وَٱلذَّٰرِيَٰتِ ذَرْوًۭا ﴿1﴾
Dutch Translation - Rowwad Translation Center
Bij (de winden) die doen verspreiden;
Keyzer
Bij de winden, die het stof verspreiden en verstrooien.
Leemhuis
Bij de heftig opjagenden,
Compare up to three verified translation editions verse by verse, including editions in two different languages.
Changing languages or editions keeps the current surah and verse.
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ وَٱلذَّٰرِيَٰتِ ذَرْوًۭا ﴿1﴾
Bij (de winden) die doen verspreiden;
Bij de winden, die het stof verspreiden en verstrooien.
Bij de heftig opjagenden,
فَٱلْحَٰمِلَٰتِ وِقْرًۭا ﴿2﴾
En (de wolken) die een zwaar gewicht aan water dragen;
En bij de wolken, die een last van regen dragen;
bij de last dragenden,
فَٱلْجَٰرِيَٰتِ يُسْرًۭا ﴿3﴾
En (de schepen) die in gemak op zee drijven;
Bij de schepen, die de zee snel doorklieven.
bij de gemakkelijk voortsnellenden
فَٱلْمُقَسِّمَٰتِ أَمْرًا ﴿4﴾
En bij de (engelen) die verdelen volgens Allah Zijn bevel.
En bij de engelen, die dingen uitdeelen, noodig voor het onderhoud van alle schepselen
en bij de bevel verdelenden!
إِنَّمَا تُوعَدُونَ لَصَادِقٌۭ ﴿5﴾
Waarlijk, dat wat jullie beloofd is gaat gebeuren!
Inderdaad, datgene waarmede gij bedreigd zijt, is zekerlijk waar,
Wat jullie is aangezegd is zeker waar
وَإِنَّ ٱلدِّينَ لَوَٰقِعٌۭ ﴿6﴾
En waarlijk, de vergoeding (op de Dag des oordeels) zal zeker plaatsvinden.
En het laatste oordeel zal gewis komen.
en het oordeel is zeker aanstaande.
وَٱلسَّمَآءِ ذَاتِ ٱلْحُبُكِ ﴿7﴾
Bij de hemel vol in schoonheid.
Bij den hemel met paden voorzien.
Bij de hemel met zijn banen!
إِنَّكُمْ لَفِى قَوْلٍۢ مُّخْتَلِفٍۢ ﴿8﴾
Voorwaar, jullie hebben verschillende opvattingen (over de Koran).
Gij verschilt zeer in hetgeen gij zegt.
Jullie zijn het in wat jullie zeggen oneens.
يُؤْفَكُ عَنْهُ مَنْ أُفِكَ ﴿9﴾
Afkeer van de Koran heeft degene die zelf afgekeerd is.
Men zal zich afwenden van dengeen, die van het ware geloof is afgekeerd!
Wie zich laat afleiden wordt van hem afgeleid.
قُتِلَ ٱلْخَرَّٰصُونَ ﴿10﴾
Vervloekt zijn de leugenaars.
Vervloekt mogen de leugenaars zijn.
Doodvallen kunnen zij die slechts gissen,
ٱلَّذِينَ هُمْ فِى غَمْرَةٍۢ سَاهُونَ ﴿11﴾
Die onder een verdrinking van achteloosheid zijn.
Die in diepe wateren van onwetendheid waden, terwijl zij hun heil verwaarloozen.
die in een waan blijven.
يَسْـَٔلُونَ أَيَّانَ يَوْمُ ٱلدِّينِ ﴿12﴾
Zij vragen: “Wanneer zal de dag van de vergoeding zijn?”
Zij vragen: Wanneer zal de dag des oordeels komen?
Zij vragen wanneer de oordeelsdag zal zijn.
يَوْمَ هُمْ عَلَى ٱلنَّارِ يُفْتَنُونَ ﴿13﴾
(Het zal) een dag (zijn) waarop zij boven het vuur beproefd worden!
Op dien dag zullen zij in het hellevuur verbrand worden.
Op de dag dat zij aan de beproeving van het vuur worden blootgesteld.
ذُوقُوا۟ فِتْنَتَكُمْ هَٰذَا ٱلَّذِى كُنتُم بِهِۦ تَسْتَعْجِلُونَ ﴿14﴾
“Proef jullie beproeving! Dit is wat jullie wilden bespoedigen!"
En men zal tot hen zeggen: Proeft uwe straf; dit is hetgeen gij verlangd hebt, dat verhaast zou worden.
"Proeft jullie beproeving, dit is het wat jullie wilden verhaasten."
إِنَّ ٱلْمُتَّقِينَ فِى جَنَّٰتٍۢ وَعُيُونٍ ﴿15﴾
Waarlijk, de godvrezenden zullen in het midden van de tuinen en de bronnen zijn.
Maar de vromen zullen tusschen tuinen en fonteinen wonen.
Maar de godvrezenden zullen in tuinen en bij bronnen zijn.
ءَاخِذِينَ مَآ ءَاتَىٰهُمْ رَبُّهُمْ ۚ إِنَّهُمْ كَانُوا۟ قَبْلَ ذَٰلِكَ مُحْسِنِينَ ﴿16﴾
Zich in de zaken verheugend die hun Heer hen gegeven heeft. Waarlijk, vroeger waren (tijdens hun leven) zij de weldoeners (zijn wij dat nu ook?).
Datgene ontvangende, wat hun Heer hun zal geven, omdat zij vóór dezen dag rechtvaardigen waren.
Zij nemen wat hun Heer hun geeft; zij waren immers voordien mensen die goed deden.
كَانُوا۟ قَلِيلًۭا مِّنَ ٱلَّيْلِ مَا يَهْجَعُونَ ﴿17﴾
Zij sliepen maar weinig tijdens de nacht (want het grootste deel daarvan brachten zij door in gebed al dobberend tussen liefde, vrees en hoop).
Zij slapen slechts gedurende een klein gedeelte van den nacht.
's Nachts sliepen zij slechts weinig
وَبِٱلْأَسْحَارِ هُمْ يَسْتَغْفِرُونَ ﴿18﴾
En in de laatste uren van de nacht vragen zij Allah om vergiffenis (dus na het nachtgebed en vóór salat al-Fadjr, het nachtgebed mag ook kort zijn).
En vroeg in den ochtend vragen zij vergiffenis van God.
en in de morgenschemering vroegen zij om vergeving
وَفِىٓ أَمْوَٰلِهِمْ حَقٌّۭ لِّلسَّآئِلِ وَٱلْمَحْرُومِ ﴿19﴾
En van hun bezittingen was er een rechtmatig aandeel voor de vragende armen en de armen die zich weerhielden van bedelarij.
Een voegzaam deel van hunne welvaart werd hem gegeven, die vroeg, en aan hem, die door schaamte teruggehouden werd te vragen.
en een rechtmatig aandeel in hun bezittingen was voor de bedelaar en de onbemiddelde.
وَفِى ٱلْأَرْضِ ءَايَٰتٌۭ لِّلْمُوقِنِينَ ﴿20﴾
En op aarde zijn er tekenen voor degenen die een zeker geloof hebben.
Er zijn teekenen van goddelijke macht en goedheid op de aarde, voor de menschen van goed begrip.
Op de aarde zijn er tekenen voor hen die vast overtuigd zijn,
وَفِىٓ أَنفُسِكُمْ ۚ أَفَلَا تُبْصِرُونَ ﴿21﴾
En ook in jullie zelf, zien jullie dan niet!
Ook in u zelven: zult gij dus niet overwegen?
en in jullie zelf. Hebben jullie dan geen inzicht?
وَفِى ٱلسَّمَآءِ رِزْقُكُمْ وَمَا تُوعَدُونَ ﴿22﴾
En in de hemel is jullie voorziening en dat wat jullie beloofd is.
Uw onderhoud is in den hemel; en evenzeer bevat hij datgene, wat u werd beloofd.
En in de hemel is jullie levensonderhoud en wat jullie wordt toegezegd.
فَوَرَبِّ ٱلسَّمَآءِ وَٱلْأَرْضِ إِنَّهُۥ لَحَقٌّۭ مِّثْلَ مَآ أَنَّكُمْ تَنطِقُونَ ﴿23﴾
Bij de Heer van de hemel en de aarde, het (de Koran) is de waarheid even als het de waarheid is dat jullie kunnen spreken.
Daarom zweer ik bij den Heer van hemel en aarde, dat dit zekerlijk de waarheid is; overeenkomstig datgene, wat gij zelf zegt.
Bij de Heer van de hemel en de aarde, het is zo waar als dat jullie kunnen spreken.
هَلْ أَتَىٰكَ حَدِيثُ ضَيْفِ إِبْرَٰهِيمَ ٱلْمُكْرَمِينَ ﴿24﴾
Heeft het verhaal van de edele gasten van Ibraahiem jullie bereikt?
Is de geschiedenis van Abraham's geachte gasten niet tot uwe kennis gekomen?
Is het verhaal van de geëerde gasten van Ibrahiem tot jullie gekomen?
إِذْ دَخَلُوا۟ عَلَيْهِ فَقَالُوا۟ سَلَٰمًۭا ۖ قَالَ سَلَٰمٌۭ قَوْمٌۭ مُّنكَرُونَ ﴿25﴾
Toen zij tot hem kwamen en zeiden: “Vrede zij met jou!” Hij antwoordde: “Vrede zij met jullie” en zei: “Jullie zijn onbekende mensen voor mij.”
Toen zij tot hem ingingen en zeiden: Vrede? antwoordde hij: Vrede! bij zich zelven zeggende: Dit zijn onbekende menschen.
Toen zij bij hem binnengingen en "Vrede" zeiden, zei hij: "Vrede, onbekende mensen."
فَرَاغَ إِلَىٰٓ أَهْلِهِۦ فَجَآءَ بِعِجْلٍۢ سَمِينٍۢ ﴿26﴾
Toen keerde hij zich tot zijn huishouding, en bracht zo een flink kalf.
En hij ging heimelijk tot zijn gezin, en bracht een gemest kalf.
Hij wendde zich toen heimelijk tot zijn huisgenoten en bracht een gemest kalf.
فَقَرَّبَهُۥٓ إِلَيْهِمْ قَالَ أَلَا تَأْكُلُونَ ﴿27﴾
En plaatste het voor hen (zeggende): “Willen jullie niet eten?”
Hij zette het voor hen neder, en toen hij zag, dat zij het niet aanraakten, zeide hij: Eet gij niet?
Dat zette hij hun toen voor. Hij zei: "Willen jullie niet eten?"
فَأَوْجَسَ مِنْهُمْ خِيفَةًۭ ۖ قَالُوا۟ لَا تَخَفْ ۖ وَبَشَّرُوهُ بِغُلَٰمٍ عَلِيمٍۢ ﴿28﴾
Toen werd hij bang voor hen (omdat engelen niet eten en drinken). Zij zeiden: “Vrees niet” En zij gaven hem het goede nieuws van (de geboorte van) een zoon die kennis zal hebben.
En hij begon vrees voor hen te koesteren. Zij zeiden: Vrees niet, en zij verklaarden hem de belofte van een wijzen zoon.
Toen werd hij door vrees voor hen bevangen. Zij zeiden: "Wees niet bang" en verkondigden hem het goede nieuws van een verstandige jongen.
فَأَقْبَلَتِ ٱمْرَأَتُهُۥ فِى صَرَّةٍۢ فَصَكَّتْ وَجْهَهَا وَقَالَتْ عَجُوزٌ عَقِيمٌۭ ﴿29﴾
Toen kwam zijn vrouw tevoorschijn met een luide stem, zij sloeg haar gezicht en zei: ”Ik ben een oude onvruchtbare vrouw!”
Zijne vrouw kwam nader; zij gaf een gil, sloeg zich in het aangezicht, en zeide ik ben een oude vrouw en onvruchtbaar!
Toen kwam zijn vrouw er schreeuwend aan. Zij sloeg zich in het gezicht en zei: "Een onvruchtbare oude vrouw!"
قَالُوا۟ كَذَٰلِكِ قَالَ رَبُّكِ ۖ إِنَّهُۥ هُوَ ٱلْحَكِيمُ ٱلْعَلِيمُ ﴿30﴾
Zij zeiden: "Zo heeft jouw Heer bepaald. Waarlijk, Hij is de Alwijze, de Alwetende.”
De engelen zeiden: Dit zeide uw Heer; en waarlijk, hij is de Wijze, de Alwetende.
Zij zeiden: "Zo heeft jouw Heer het gezegd. Hij is de wijze, de wetende." *
۞ قَالَ فَمَا خَطْبُكُمْ أَيُّهَا ٱلْمُرْسَلُونَ ﴿31﴾
(Ibraahiem zei): “Met welk doel zijn jullie gekomen, o boodschappers?”
En Abraham zeide tot hen: wat is dus uwe boodschap, o gezanten van God?
Hij zei: "Waar komen jullie voor, o gezondenen?"
قَالُوٓا۟ إِنَّآ أُرْسِلْنَآ إِلَىٰ قَوْمٍۢ مُّجْرِمِينَ ﴿32﴾
Zij zeiden: “Wij zijn tot een volk gestuurd dat misdadig is;
Zij antwoordden: waarlijk, wij worden tot een zondig volk gezonden.
Zij zeiden: "Wij zijn gezonden naar misdadige mensen
لِنُرْسِلَ عَلَيْهِمْ حِجَارَةًۭ مِّن طِينٍۢ ﴿33﴾
Om stenen van klei naar hen te sturen.”
Opdat wij steenen van gebakken klei op hen zouden nederzenden.
om op hen stenen van klei neer te zenden,
مُّسَوَّمَةً عِندَ رَبِّكَ لِلْمُسْرِفِينَ ﴿34﴾
Gekenmerkt door jullie Heer voor de overtreders.
Gemerkt door uwen Heer, ter verdelging der zondaren.
die bij jouw Heer gemerkt zijn voor de onmatigen."
فَأَخْرَجْنَا مَن كَانَ فِيهَا مِنَ ٱلْمُؤْمِنِينَ ﴿35﴾
Dus Wij hebben de gelovigen naar buiten (uit de stad) gebracht.
En wij telden de ware geloovigen, die in de stad waren.
En Wij lieten hen die daar tot de gelovigen behoorden eruit gaan,
فَمَا وَجَدْنَا فِيهَا غَيْرَ بَيْتٍۢ مِّنَ ٱلْمُسْلِمِينَ ﴿36﴾
Maar Wij vonden geen enkel huis van de gelovigen, behalve één (van Loet).
Maar wij vonden niet meer, dan één gezin van Moslems.
maar Wij vonden er slechts één huis van hen die zich [aan God] overgaven.
وَتَرَكْنَا فِيهَآ ءَايَةًۭ لِّلَّذِينَ يَخَافُونَ ٱلْعَذَابَ ٱلْأَلِيمَ ﴿37﴾
En Wij hebben daar een teken achtergelaten voor degenen die een pijnlijke bestraffing vrezen.
Wij verwoesten hen, en lieten een teeken aldaar, voor hen, die de ernstige kastijding van God vreezen.
En Wij lieten daarin een teken achter voor hen die de pijnlijke bestraffing vrezen.
وَفِى مُوسَىٰٓ إِذْ أَرْسَلْنَٰهُ إِلَىٰ فِرْعَوْنَ بِسُلْطَٰنٍۢ مُّبِينٍۢ ﴿38﴾
En bij Moesa. Toen Wij hem naar Farao stuurden met een duidelijk bewijs.
In Mozes was mede een teeken, toen Hij hem met duidelijke macht tot Pharao zond.
Ook in [het verhaal van] Moesa, toen Wij hem met een duidelijke machtiging naar Fir'aun zonden.
فَتَوَلَّىٰ بِرُكْنِهِۦ وَقَالَ سَٰحِرٌ أَوْ مَجْنُونٌۭ ﴿39﴾
Maar (Farao) keerde zich af tezamen met zijn legers, en zei: “Een tovenaar of een dwaas.”
Maar deze wendde zich met zijne vorsten af, zeggende: Deze man is een toovenaar of een bezetene.
Die keerde zich toen met zijn garde af en zei: "Een tovenaar of een bezetene."
فَأَخَذْنَٰهُ وَجُنُودَهُۥ فَنَبَذْنَٰهُمْ فِى ٱلْيَمِّ وَهُوَ مُلِيمٌۭ ﴿40﴾
Dus namen Wij hem en zijn leger, en gooiden hen in de zee terwijl hij schuldig was.
Daarom grepen wij hem en zijne soldaten en wierpen hen in de zee: en hij was waard gestrafd te worden.
En Wij grepen hem en zijn troepen en wierpen hen in de zee; laakbaar was hij.
وَفِى عَادٍ إِذْ أَرْسَلْنَا عَلَيْهِمُ ٱلرِّيحَ ٱلْعَقِيمَ ﴿41﴾
En bij de ‘Ad toen Wij naar hen een orkaan naar hen toezonden;
En in den stam van Ad was mede een teeken, toen wij een verwoestenden wind tegen hen zonden.
Ook in [het verhaal van] de 'Aad, toen Wij de barre wind tegen hen zonden,
مَا تَذَرُ مِن شَىْءٍ أَتَتْ عَلَيْهِ إِلَّا جَعَلَتْهُ كَٱلرَّمِيمِ ﴿42﴾
En er was niets waar het (de wind) mee in aanraking kwam of het werd daardoor vernietigd.
Die niets aanraakte, waar hij nederkwam, of hij verwoeste het, als een verrot voorwerp, en maakte het tot stof.
die waar hij overheen ging niets overliet, maar het als gruis maakte.
وَفِى ثَمُودَ إِذْ قِيلَ لَهُمْ تَمَتَّعُوا۟ حَتَّىٰ حِينٍۢ ﴿43﴾
En bij de Thamoed toen hen verteld werd: “Vermaak jullie maar voor een bepaalde periode!”
In Thamoed was eveneens een teeken toen er tot hem werd gezegd: Geniet alles gedurende eenigen tijd.
Ook in [het verhaal van] de Thamoed, toen Wij tot hen zeiden: "Jullie kunnen nog een tijd genieten."
فَعَتَوْا۟ عَنْ أَمْرِ رَبِّهِمْ فَأَخَذَتْهُمُ ٱلصَّٰعِقَةُ وَهُمْ يَنظُرُونَ ﴿44﴾
Maar brutaal minachtten zij het bevel van hun Heer, dus de bliksemflits overmeesterde hen terwijl zij toekeken.
Maar zij schonden onbeschaamd het bevel van hunnen Heer, waardoor hen een vreeselijk onweder van den hemel overviel, terwijl zij daarheen blikten.
Maar zij minachtten het bevel van hun Heer en toen greep de donderslag hen, terwijl zij keken.
فَمَا ٱسْتَطَٰعُوا۟ مِن قِيَامٍۢ وَمَا كَانُوا۟ مُنتَصِرِينَ ﴿45﴾
Toen waren zij niet in staat op te staan, noch konden zij zichzelf helpen.
Zij waren niet in staat op hunne voeten te staan, evenmin als zij zich van de verdediging konden redden.
Toen konden zij niet meer opstaan en konden niet meer geholpen worden.
وَقَوْمَ نُوحٍۢ مِّن قَبْلُ ۖ إِنَّهُمْ كَانُوا۟ قَوْمًۭا فَٰسِقِينَ ﴿46﴾
(Zo was) het volk van Noeh vóór hen. Waarlijk, zij waren een volk dat verdorven was.
En het volk van Noach verdelgden wij voor dezen; want het was een volk, dat vreeselijk zondigde.
Ook het volk van Noeh, vroeger al; dat waren verdorven mensen.
وَٱلسَّمَآءَ بَنَيْنَٰهَا بِأَيْي۟دٍۢ وَإِنَّا لَمُوسِعُونَ ﴿47﴾
Met kracht hebben Wij de hemel gebouwd. Waarlijk, Wij zijn in staat om de omvangrijkheid en ruimte daarvan uit te breiden.
Wij hebben den hemel met macht gebouwd, en dien eene groote uitgebreidheid gegeven.
De hemel hebben Wij duurzaam gebouwd; Wij hebben het vermogen.
وَٱلْأَرْضَ فَرَشْنَٰهَا فَنِعْمَ ٱلْمَٰهِدُونَ ﴿48﴾
En Wij hebben de aarde uitgespreid, wat een uitmuntende spreider zijn Wij!
Wij hebben de aarde daaronder uitgebreid, en hoe gelijkmatig hebben wij dit gedaan.
En de aarde hebben Wij uitgespreid; een voortreffelijke plaatsbereider zijn Wij.
وَمِن كُلِّ شَىْءٍ خَلَقْنَا زَوْجَيْنِ لَعَلَّكُمْ تَذَكَّرُونَ ﴿49﴾
En alles hebben Wij in paren geschapen, dat jullie er lering uit zullen trekken.
En van alle dingen hebben wij twee soorten geschapen, opdat gij wellicht zoudt overwegen.
En alles hebben Wij paarsgewijs geschapen; misschien zullen jullie je laten vermanen.
فَفِرُّوٓا۟ إِلَى ٱللَّهِ ۖ إِنِّى لَكُم مِّنْهُ نَذِيرٌۭ مُّبِينٌۭ ﴿50﴾
Vlucht dus naar Allah (d.m.v. berouw, gehoorzaamheid en vermijding van zonden), (want) waarlijk, ik (Mohammed) ben (door) Hem naar jullie (gezonden) als een duidelijke waarschuwer (voor Zijn beangstigende bestraffing).
Vlucht dus tot God; waarlijk, ik ben een openlijk waarschuwer van Hem onder u.
Vlucht dan tot God; ik ben voor jullie een duidelijke waarschuwer van Zijn kant.
وَلَا تَجْعَلُوا۟ مَعَ ٱللَّهِ إِلَٰهًا ءَاخَرَ ۖ إِنِّى لَكُم مِّنْهُ نَذِيرٌۭ مُّبِينٌۭ ﴿51﴾
En (waag het niet) om eender welke andere god (in aanbidding) te verenigen met Allah. Voorzeker, ik ben voor jullie en op Zijn gezag een duidelijke waarschuwer.
Aanbidt geene andere goden behalve uwen Heer. Ik bericht u dit duidelijk uit zijn naam
En stelt naast God geen andere god; ik ben voor jullie een duidelijke waarschuwer van Zijn kant.
كَذَٰلِكَ مَآ أَتَى ٱلَّذِينَ مِن قَبْلِهِم مِّن رَّسُولٍ إِلَّا قَالُوا۟ سَاحِرٌ أَوْ مَجْنُونٌ ﴿52﴾
Zo ook kwam er geen boodschapper tot degenen voor hem of zij zeiden: “Een tovenaar of een dwaas!”
Op dezelfde wijze kwam er geen gezant tot hunne voorgangers of zij zeiden: Deze man is een toovenaar of een bezetene.
Zo is er ook tot hen die er voor hun tijd waren geen gezant gekomen zonder dat zij zeiden: "Een tovenaar of een bezetene."
أَتَوَاصَوْا۟ بِهِۦ ۚ بَلْ هُمْ قَوْمٌۭ طَاغُونَ ﴿53﴾
Hebben zij deze uitspraak overgeleverd aan elkaar? Nee, zij zijn zelf een volk dat de grenzen overtreedt!
Hebben zij dit gedrag achtervolgens elkander als erfdeel vermaakt? Ja; zij zondigen vreeselijk.
Hebben zij het soms aan elkaar opgedragen? Welnee, zij zijn onbeschaamde mensen.
فَتَوَلَّ عَنْهُمْ فَمَآ أَنتَ بِمَلُومٍۢ ﴿54﴾
Keer je dus af van hen, jou (o Mohammed) kan niets verweten worden.
Houdt u dus van hen af, en gij zult vrij van blaam zijn, indien gij aldus handelt.
Keer je dus van hen af; jou treft dan geen blaam.
وَذَكِّرْ فَإِنَّ ٱلذِّكْرَىٰ تَنفَعُ ٱلْمُؤْمِنِينَ ﴿55﴾
En vermaan want waarlijk, de vermaning is tot voordeel voor de gelovigen.
Maar ga voort met vermanen; want vermaning is den waren geloovigen van voordeel.
En vermaan, want de vermaning is nuttig voor de gelovigen.
وَمَا خَلَقْتُ ٱلْجِنَّ وَٱلْإِنسَ إِلَّا لِيَعْبُدُونِ ﴿56﴾
En Ik (Allah) heb de djinn en de mens slechts geschapen om (alléén) Mij te aanbidden (de Tawhied, datgene waartoe alle profeten hebben opgeroepen).
Ik heb de geniussen en menschen met geen ander doel geschapen, dan opdat zij mij zouden dienen.
Ik heb de mensen en de djinn slechts geschapen om Mij te dienen.
مَآ أُرِيدُ مِنْهُم مِّن رِّزْقٍۢ وَمَآ أُرِيدُ أَن يُطْعِمُونِ ﴿57﴾
Ik zoek geen voorziening van hen noch vraag Ik hen om Mij te voeden.
Ik eisch geenerlei onderhoud van hen; evenmin verlang ik, dat zij mij zullen voeden.
Ik wens door hen niet van levensonderhoud te worden voorzien en Ik wens niet dat zij mij voeden.
إِنَّ ٱللَّهَ هُوَ ٱلرَّزَّاقُ ذُو ٱلْقُوَّةِ ٱلْمَتِينُ ﴿58﴾
Waarlijk, Allah is de Voorziener van alles. Eigenaar van de macht – de Allersterkste.
Waarlijk, God is degene, die alle schepselen voorziet, en die een aanzienlijke macht bezit.
God is de voorziener die sterke kracht heeft.
فَإِنَّ لِلَّذِينَ ظَلَمُوا۟ ذَنُوبًۭا مِّثْلَ ذَنُوبِ أَصْحَٰبِهِمْ فَلَا يَسْتَعْجِلُونِ ﴿59﴾
En waarlijk, degenen die onrecht plegen, hun deel van de bestraffing is gelijk aan de bestraffing zoals hun soortgenoten (die heengegaan zijn) laat hen daarom niet vragen om het te bespoedigen!
Aan hen die onzen gezant beleedigden, zal een deel gegeven worden, gelijk aan het deel van hen, die zich in vroegere tijden, evenals zij hebben gedragen; en zij zullen niet wenschen, dat dit verhaast worde.
Maar voor hen die onrecht plegen is er een portie die even groot is als de portie van hun metgezellen. Zij moeten Mij dan maar niet vragen het te verhaasten.
فَوَيْلٌۭ لِّلَّذِينَ كَفَرُوا۟ مِن يَوْمِهِمُ ٱلَّذِى يُوعَدُونَ ﴿60﴾
Wee dan de ongelovigen op die dag die hen beloofd is.
Wee dus over de ongeloovigen, om hunnen dag, waarmede zij zijn bedreigd!
En wee hen die ongelovig zijn wegens hun dag die hun is aangezegd.