Skip to content
Text size 100%
Translation comparison

Compare Ta-Ha Quran translations

Compare up to three verified translation editions verse by verse, including editions in two different languages.

Dutch editions (choose up to 3)

Changing languages or editions keeps the current surah and verse.

بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ طه ﴿1﴾

Leemhuis

T[aa?] H[aa?].

مَآ أَنزَلْنَا عَلَيْكَ ٱلْقُرْءَانَ لِتَشْقَىٰٓ ﴿2﴾

Leemhuis

Wij hebben de Koran niet tot jou neergezonden opdat jij ongelukkig zou zijn,

إِلَّا تَذْكِرَةًۭ لِّمَن يَخْشَىٰ ﴿3﴾

Leemhuis

maar slechts als een vermaning voor wie [God] vreest,

تَنزِيلًۭا مِّمَّنْ خَلَقَ ٱلْأَرْضَ وَٱلسَّمَٰوَٰتِ ٱلْعُلَى ﴿4﴾

Leemhuis

als een neerzending van Hem die de aarde en de hoge hemelen geschapen heeft,

ٱلرَّحْمَٰنُ عَلَى ٱلْعَرْشِ ٱسْتَوَىٰ ﴿5﴾

Leemhuis

de Erbarmer; Hij heeft zich op de troon gevestigd.

لَهُۥ مَا فِى ٱلسَّمَٰوَٰتِ وَمَا فِى ٱلْأَرْضِ وَمَا بَيْنَهُمَا وَمَا تَحْتَ ٱلثَّرَىٰ ﴿6﴾

Leemhuis

Hem behoort wat er in de hemelen, wat er op de aarde, wat er tussen beide en wat er onder de grond is.

وَإِن تَجْهَرْ بِٱلْقَوْلِ فَإِنَّهُۥ يَعْلَمُ ٱلسِّرَّ وَأَخْفَى ﴿7﴾

Leemhuis

En al spreek jij met luide stem, Hij weet wat geheim is en wat nog verborgener is.

ٱللَّهُ لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ ۖ لَهُ ٱلْأَسْمَآءُ ٱلْحُسْنَىٰ ﴿8﴾

Leemhuis

God, er is geen god dan Hij, Hem komen de mooiste namen toe.

وَهَلْ أَتَىٰكَ حَدِيثُ مُوسَىٰٓ ﴿9﴾

Leemhuis

Is het verhaal van Moesa tot jou gekomen?

إِذْ رَءَا نَارًۭا فَقَالَ لِأَهْلِهِ ٱمْكُثُوٓا۟ إِنِّىٓ ءَانَسْتُ نَارًۭا لَّعَلِّىٓ ءَاتِيكُم مِّنْهَا بِقَبَسٍ أَوْ أَجِدُ عَلَى ٱلنَّارِ هُدًۭى ﴿10﴾

Leemhuis

Toen hij een vuur zag en tot zijn mensen zei: "Blijft staan, ik heb een vuur waargenomen, misschien zal ik jullie er een fakkel van brengen of bij het vuur een aanduiding van de goede richting vinden."

فَلَمَّآ أَتَىٰهَا نُودِىَ يَٰمُوسَىٰٓ ﴿11﴾

Leemhuis

Toen hij er kwam werd hem toegeroepen: O Moesa,

إِنِّىٓ أَنَا۠ رَبُّكَ فَٱخْلَعْ نَعْلَيْكَ ۖ إِنَّكَ بِٱلْوَادِ ٱلْمُقَدَّسِ طُوًۭى ﴿12﴾

Leemhuis

Ik ben het, jouw Heer. Trek dus jouw schoenen uit. Jij bent in de geheiligde vallei Toewa.

وَأَنَا ٱخْتَرْتُكَ فَٱسْتَمِعْ لِمَا يُوحَىٰٓ ﴿13﴾

Leemhuis

En Ik heb jou uitgekozen; luister dus naar wat geopenbaard zal worden.

إِنَّنِىٓ أَنَا ٱللَّهُ لَآ إِلَٰهَ إِلَّآ أَنَا۠ فَٱعْبُدْنِى وَأَقِمِ ٱلصَّلَوٰةَ لِذِكْرِىٓ ﴿14﴾

Leemhuis

Ik ben God, er is geen god dan Ik. Dien Mij dus en verricht de salaat om Mij te gedenken.

إِنَّ ٱلسَّاعَةَ ءَاتِيَةٌ أَكَادُ أُخْفِيهَا لِتُجْزَىٰ كُلُّ نَفْسٍۭ بِمَا تَسْعَىٰ ﴿15﴾

Leemhuis

Het uur komt -- Ik houd het nauwelijks nog verborgen -- opdat aan elke ziel vergolden wordt wat zij nastreeft.

فَلَا يَصُدَّنَّكَ عَنْهَا مَن لَّا يُؤْمِنُ بِهَا وَٱتَّبَعَ هَوَىٰهُ فَتَرْدَىٰ ﴿16﴾

Leemhuis

Laat wie er niet aan gelooft en zijn geneigdheid volgt jou er niet van afhouden, zodat jij ten onder gaat.

وَمَا تِلْكَ بِيَمِينِكَ يَٰمُوسَىٰ ﴿17﴾

Leemhuis

En wat is dat daar in je rechterhand?"

قَالَ هِىَ عَصَاىَ أَتَوَكَّؤُا۟ عَلَيْهَا وَأَهُشُّ بِهَا عَلَىٰ غَنَمِى وَلِىَ فِيهَا مَـَٔارِبُ أُخْرَىٰ ﴿18﴾

Leemhuis

Hij zei: "Dat is mijn staf waarop ik leun en waarmee ik voor mijn schapen bladeren afsla en ik heb er ook nog andere toepassingen voor."

قَالَ أَلْقِهَا يَٰمُوسَىٰ ﴿19﴾

Leemhuis

Hij zei: "Werp hem neer, Moesa."

فَأَلْقَىٰهَا فَإِذَا هِىَ حَيَّةٌۭ تَسْعَىٰ ﴿20﴾

Leemhuis

En hij wierp hem neer en het was opeens een slang die voortbewoog.

قَالَ خُذْهَا وَلَا تَخَفْ ۖ سَنُعِيدُهَا سِيرَتَهَا ٱلْأُولَىٰ ﴿21﴾

Leemhuis

Hij zei: "Pak hem en wees niet bang; Wij laten hem weer net zo worden als hij eerst was.

وَٱضْمُمْ يَدَكَ إِلَىٰ جَنَاحِكَ تَخْرُجْ بَيْضَآءَ مِنْ غَيْرِ سُوٓءٍ ءَايَةً أُخْرَىٰ ﴿22﴾

Leemhuis

En houd je hand onder je arm dan zal zij wit, maar zonder iets slechts, tevoorschijn komen als nog een teken

لِنُرِيَكَ مِنْ ءَايَٰتِنَا ٱلْكُبْرَى ﴿23﴾

Leemhuis

om jou iets van Onze grootse tekenen te laten zien.

ٱذْهَبْ إِلَىٰ فِرْعَوْنَ إِنَّهُۥ طَغَىٰ ﴿24﴾

Leemhuis

Ga heen naar Fir'aun; hij is onbeschaamd."

قَالَ رَبِّ ٱشْرَحْ لِى صَدْرِى ﴿25﴾

Leemhuis

Hij zei: "Mijn Heer, stel bij mij mijn hart open,

وَيَسِّرْ لِىٓ أَمْرِى ﴿26﴾

Leemhuis

vergemakkelijk mijn taak voor mij

وَٱحْلُلْ عُقْدَةًۭ مِّن لِّسَانِى ﴿27﴾

Leemhuis

en maak een knoop in mijn tong los,

يَفْقَهُوا۟ قَوْلِى ﴿28﴾

Leemhuis

zodat zij begrijpen wat ik zeg.

وَٱجْعَل لِّى وَزِيرًۭا مِّنْ أَهْلِى ﴿29﴾

Leemhuis

En stel voor mij een medewerker aan uit mijn familie,

هَٰرُونَ أَخِى ﴿30﴾

Leemhuis

Haroen, mijn broer.

ٱشْدُدْ بِهِۦٓ أَزْرِى ﴿31﴾

Leemhuis

Geef mij door hem meer kracht

وَأَشْرِكْهُ فِىٓ أَمْرِى ﴿32﴾

Leemhuis

en laat hem in mijn taak delen,

كَىْ نُسَبِّحَكَ كَثِيرًۭا ﴿33﴾

Leemhuis

opdat wij U veelvuldig prijzen

وَنَذْكُرَكَ كَثِيرًا ﴿34﴾

Leemhuis

en U veelvuldig gedenken.

إِنَّكَ كُنتَ بِنَا بَصِيرًۭا ﴿35﴾

Leemhuis

U doorziet ons!"

قَالَ قَدْ أُوتِيتَ سُؤْلَكَ يَٰمُوسَىٰ ﴿36﴾

Leemhuis

Hij zei: "Jouw verzoek is ingewilligd, Moesa!

وَلَقَدْ مَنَنَّا عَلَيْكَ مَرَّةً أُخْرَىٰٓ ﴿37﴾

Leemhuis

En Wij hebben jou ook al een andere keer een gunst bewezen,

إِذْ أَوْحَيْنَآ إِلَىٰٓ أُمِّكَ مَا يُوحَىٰٓ ﴿38﴾

Leemhuis

toen Wij aan jouw moeder openbaarden wat geopenbaard is:

أَنِ ٱقْذِفِيهِ فِى ٱلتَّابُوتِ فَٱقْذِفِيهِ فِى ٱلْيَمِّ فَلْيُلْقِهِ ٱلْيَمُّ بِٱلسَّاحِلِ يَأْخُذْهُ عَدُوٌّۭ لِّى وَعَدُوٌّۭ لَّهُۥ ۚ وَأَلْقَيْتُ عَلَيْكَ مَحَبَّةًۭ مِّنِّى وَلِتُصْنَعَ عَلَىٰ عَيْنِىٓ ﴿39﴾

Leemhuis

'Werp hem in de kist en werp hem in de zee, dan zal de zee hem op de kust werpen, zodat een vijand van Mij en een vijand van hem hem zal opnemen.? En Ik heb over jou liefde van Mij uitgestort en jij moest onder Mijn ogen grootgebracht worden.

إِذْ تَمْشِىٓ أُخْتُكَ فَتَقُولُ هَلْ أَدُلُّكُمْ عَلَىٰ مَن يَكْفُلُهُۥ ۖ فَرَجَعْنَٰكَ إِلَىٰٓ أُمِّكَ كَىْ تَقَرَّ عَيْنُهَا وَلَا تَحْزَنَ ۚ وَقَتَلْتَ نَفْسًۭا فَنَجَّيْنَٰكَ مِنَ ٱلْغَمِّ وَفَتَنَّٰكَ فُتُونًۭا ۚ فَلَبِثْتَ سِنِينَ فِىٓ أَهْلِ مَدْيَنَ ثُمَّ جِئْتَ عَلَىٰ قَدَرٍۢ يَٰمُوسَىٰ ﴿40﴾

Leemhuis

Toen jouw zuster heenging en zei: 'Zal ik jullie iemand aanwijzen die voor hem zal zorgen?? Zo brachten Wij jou terug naar jouw moeder opdat jij goedsmoeds en niet bedroefd zou zijn. En jij hebt een mens gedood, maar Wij hebben jou uit de nood gered en jou aan verzoeking blootgesteld. Zo bleef jij jaren bij de mensen van Madjan. Toen kwam jij, Moesa, [hierheen] als beschikt.

وَٱصْطَنَعْتُكَ لِنَفْسِى ﴿41﴾

Leemhuis

En Ik heb jou voor Mijzelf uitgekozen.

ٱذْهَبْ أَنتَ وَأَخُوكَ بِـَٔايَٰتِى وَلَا تَنِيَا فِى ذِكْرِى ﴿42﴾

Leemhuis

Ga heen, jij en jouw broeder, met Mijn tekenen en wordt niet moe Mij te gedenken.

ٱذْهَبَآ إِلَىٰ فِرْعَوْنَ إِنَّهُۥ طَغَىٰ ﴿43﴾

Leemhuis

Gaat heen naar Fir'aun; hij is onbeschaamd.

فَقُولَا لَهُۥ قَوْلًۭا لَّيِّنًۭا لَّعَلَّهُۥ يَتَذَكَّرُ أَوْ يَخْشَىٰ ﴿44﴾

Leemhuis

En spreekt zachtmoedig tot hem; misschien laat hij zich vermanen of vreest hij."

قَالَا رَبَّنَآ إِنَّنَا نَخَافُ أَن يَفْرُطَ عَلَيْنَآ أَوْ أَن يَطْغَىٰ ﴿45﴾

Leemhuis

Zij zeiden: "Onze Heer, wij zijn bang dat hij zich aan ons vergrijpt of dat hij onbeschaamd zal zijn."

قَالَ لَا تَخَافَآ ۖ إِنَّنِى مَعَكُمَآ أَسْمَعُ وَأَرَىٰ ﴿46﴾

Leemhuis

Hij zei: "Weest niet bang, Ik ben met jullie; Ik hoor en zie!

فَأْتِيَاهُ فَقُولَآ إِنَّا رَسُولَا رَبِّكَ فَأَرْسِلْ مَعَنَا بَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ وَلَا تُعَذِّبْهُمْ ۖ قَدْ جِئْنَٰكَ بِـَٔايَةٍۢ مِّن رَّبِّكَ ۖ وَٱلسَّلَٰمُ عَلَىٰ مَنِ ٱتَّبَعَ ٱلْهُدَىٰٓ ﴿47﴾

Leemhuis

Gaat dus naar hem toe en zegt: 'Wij zijn gezanten van jouw Heer. Zend dan de Israëlieten met ons weg en bestraf hen niet. Wij zijn tot jou gekomen met een teken van jouw Heer. En vrede zij met wie de leidraad volgt.

إِنَّا قَدْ أُوحِىَ إِلَيْنَآ أَنَّ ٱلْعَذَابَ عَلَىٰ مَن كَذَّبَ وَتَوَلَّىٰ ﴿48﴾

Leemhuis

Aan ons is immers geopenbaard dat de bestraffing komt over wie loochent en zich afkeert."

قَالَ فَمَن رَّبُّكُمَا يَٰمُوسَىٰ ﴿49﴾

Leemhuis

Hij zei: "Wie is dan jullie Heer, Moesa?"

قَالَ رَبُّنَا ٱلَّذِىٓ أَعْطَىٰ كُلَّ شَىْءٍ خَلْقَهُۥ ثُمَّ هَدَىٰ ﴿50﴾

Leemhuis

Deze zei: "Onze Heer is het die aan alles zijn aard heeft gegeven en dan de goede richting heeft gewezen."

قَالَ فَمَا بَالُ ٱلْقُرُونِ ٱلْأُولَىٰ ﴿51﴾

Leemhuis

Hij zei: "Hoe is het gesteld met de eerdere generaties?"

قَالَ عِلْمُهَا عِندَ رَبِّى فِى كِتَٰبٍۢ ۖ لَّا يَضِلُّ رَبِّى وَلَا يَنسَى ﴿52﴾

Leemhuis

Hij zei: "De kennis daarover is bij mijn Heer, in een boek. Mijn Heer dwaalt niet en vergeet niet."

ٱلَّذِى جَعَلَ لَكُمُ ٱلْأَرْضَ مَهْدًۭا وَسَلَكَ لَكُمْ فِيهَا سُبُلًۭا وَأَنزَلَ مِنَ ٱلسَّمَآءِ مَآءًۭ فَأَخْرَجْنَا بِهِۦٓ أَزْوَٰجًۭا مِّن نَّبَاتٍۢ شَتَّىٰ ﴿53﴾

Leemhuis

Hij die voor jullie de aarde tot een wiegenbed gemaakt heeft en die voor jullie daarop wegen heeft getrokken en die uit de hemel water heeft laten neerdalen waarmee Wij dan velerlei soorten van plantengroei hebben voortgebracht.

كُلُوا۟ وَٱرْعَوْا۟ أَنْعَٰمَكُمْ ۗ إِنَّ فِى ذَٰلِكَ لَءَايَٰتٍۢ لِّأُو۟لِى ٱلنُّهَىٰ ﴿54﴾

Leemhuis

Eet en weidt jullie vee. Daarin zijn tekenen voor de schranderen. *

۞ مِنْهَا خَلَقْنَٰكُمْ وَفِيهَا نُعِيدُكُمْ وَمِنْهَا نُخْرِجُكُمْ تَارَةً أُخْرَىٰ ﴿55﴾

Leemhuis

Uit haar [nml. de aarde] hebben Wij jullie geschapen en in haar zullen Wij jullie terug laten keren en uit haar zullen Wij jullie een tweede maal tevoorschijn brengen.

وَلَقَدْ أَرَيْنَٰهُ ءَايَٰتِنَا كُلَّهَا فَكَذَّبَ وَأَبَىٰ ﴿56﴾

Leemhuis

En Wij hebben hem al Onze tekenen laten zien, maar hij loochende en weigerde.

قَالَ أَجِئْتَنَا لِتُخْرِجَنَا مِنْ أَرْضِنَا بِسِحْرِكَ يَٰمُوسَىٰ ﴿57﴾

Leemhuis

Hij zei: "Ben jij tot ons gekomen om ons door jouw toverij uit ons land te verdrijven, Moesa?

فَلَنَأْتِيَنَّكَ بِسِحْرٍۢ مِّثْلِهِۦ فَٱجْعَلْ بَيْنَنَا وَبَيْنَكَ مَوْعِدًۭا لَّا نُخْلِفُهُۥ نَحْنُ وَلَآ أَنتَ مَكَانًۭا سُوًۭى ﴿58﴾

Leemhuis

Dan zullen wij wel met overeenkomstige toverij komen. Maak maar een afspraak tussen ons en jou, waaraan wij ons evenals jij moeten houden, op een effen plaats."

قَالَ مَوْعِدُكُمْ يَوْمُ ٱلزِّينَةِ وَأَن يُحْشَرَ ٱلنَّاسُ ضُحًۭى ﴿59﴾

Leemhuis

Deze zei: "De afspraak met jullie is op de feestdag en dat de mensen op de voormiddag verzameld worden."

فَتَوَلَّىٰ فِرْعَوْنُ فَجَمَعَ كَيْدَهُۥ ثُمَّ أَتَىٰ ﴿60﴾

Leemhuis

Maar Fir'aun keerde zich af om zijn plan te beramen en toen kwam hij terug.

قَالَ لَهُم مُّوسَىٰ وَيْلَكُمْ لَا تَفْتَرُوا۟ عَلَى ٱللَّهِ كَذِبًۭا فَيُسْحِتَكُم بِعَذَابٍۢ ۖ وَقَدْ خَابَ مَنِ ٱفْتَرَىٰ ﴿61﴾

Leemhuis

Moesa zei tot hen: "Wee jullie, verzint over God geen bedrog, want dan verdelgt Hij jullie door een bestraffing. Wie verzinsels vertelt wordt teleurgesteld."

فَتَنَٰزَعُوٓا۟ أَمْرَهُم بَيْنَهُمْ وَأَسَرُّوا۟ ٱلنَّجْوَىٰ ﴿62﴾

Leemhuis

Toen twistten zij met elkaar over hun geval en hielden een vertrouwelijk gesprek.

قَالُوٓا۟ إِنْ هَٰذَٰنِ لَسَٰحِرَٰنِ يُرِيدَانِ أَن يُخْرِجَاكُم مِّنْ أَرْضِكُم بِسِحْرِهِمَا وَيَذْهَبَا بِطَرِيقَتِكُمُ ٱلْمُثْلَىٰ ﴿63﴾

Leemhuis

Zij zeiden: "Deze twee zijn tovenaars. Zij willen jullie door hun toverij uit jullie land verdrijven en jullie voorbeeldige opvattingen afschaffen.

فَأَجْمِعُوا۟ كَيْدَكُمْ ثُمَّ ٱئْتُوا۟ صَفًّۭا ۚ وَقَدْ أَفْلَحَ ٱلْيَوْمَ مَنِ ٱسْتَعْلَىٰ ﴿64﴾

Leemhuis

Beraamt dan jullie plan en komt dan in een rij. Heden zal het hem welgaan die de overhand krijgt."

قَالُوا۟ يَٰمُوسَىٰٓ إِمَّآ أَن تُلْقِىَ وَإِمَّآ أَن نَّكُونَ أَوَّلَ مَنْ أَلْقَىٰ ﴿65﴾

Leemhuis

Zij zeiden: "O Moesa, of jij werpt of wij zijn het die het eerst zullen werpen."

قَالَ بَلْ أَلْقُوا۟ ۖ فَإِذَا حِبَالُهُمْ وَعِصِيُّهُمْ يُخَيَّلُ إِلَيْهِ مِن سِحْرِهِمْ أَنَّهَا تَسْعَىٰ ﴿66﴾

Leemhuis

Hij zei: "Werpt maar." En plotseling werd hem door hun toverij de indruk gegeven dat hun touwen en staven voortbewogen.

فَأَوْجَسَ فِى نَفْسِهِۦ خِيفَةًۭ مُّوسَىٰ ﴿67﴾

Leemhuis

Toen werd Moesa in zijn binnenste door vrees bevangen.

قُلْنَا لَا تَخَفْ إِنَّكَ أَنتَ ٱلْأَعْلَىٰ ﴿68﴾

Leemhuis

Wij zeiden: "Weest niet bang, jij houdt de overhand.

وَأَلْقِ مَا فِى يَمِينِكَ تَلْقَفْ مَا صَنَعُوٓا۟ ۖ إِنَّمَا صَنَعُوا۟ كَيْدُ سَٰحِرٍۢ ۖ وَلَا يُفْلِحُ ٱلسَّاحِرُ حَيْثُ أَتَىٰ ﴿69﴾

Leemhuis

Werp wat in je rechterhand is, dan zal het wat zij gemaakt hebben verslinden. Wat zij gemaakt hebben is slechts een tovenaarslist en de tovenaar zal het niet welgaan waar hij ook komt."

فَأُلْقِىَ ٱلسَّحَرَةُ سُجَّدًۭا قَالُوٓا۟ ءَامَنَّا بِرَبِّ هَٰرُونَ وَمُوسَىٰ ﴿70﴾

Leemhuis

En de tovenaars werden neergeworpen om zich eerbiedig neer te buigen en zij zeiden: "Wij geloven in de Heer van Haroen en Moesa."

قَالَ ءَامَنتُمْ لَهُۥ قَبْلَ أَنْ ءَاذَنَ لَكُمْ ۖ إِنَّهُۥ لَكَبِيرُكُمُ ٱلَّذِى عَلَّمَكُمُ ٱلسِّحْرَ ۖ فَلَأُقَطِّعَنَّ أَيْدِيَكُمْ وَأَرْجُلَكُم مِّنْ خِلَٰفٍۢ وَلَأُصَلِّبَنَّكُمْ فِى جُذُوعِ ٱلنَّخْلِ وَلَتَعْلَمُنَّ أَيُّنَآ أَشَدُّ عَذَابًۭا وَأَبْقَىٰ ﴿71﴾

Leemhuis

Hij zei: "Jullie geloven aan hem voordat ik jullie toestemming gegeven heb. Hij is zeker jullie meester die jullie heeft leren toveren. Ik zal jullie de handen en de voeten aan tegenovergestelde kanten afhouwen en ik zal jullie aan palmstammen kruisigen. Dan zullen jullie weten wie van ons strenger in het bestraffen en onvergankelijker is."

قَالُوا۟ لَن نُّؤْثِرَكَ عَلَىٰ مَا جَآءَنَا مِنَ ٱلْبَيِّنَٰتِ وَٱلَّذِى فَطَرَنَا ۖ فَٱقْضِ مَآ أَنتَ قَاضٍ ۖ إِنَّمَا تَقْضِى هَٰذِهِ ٱلْحَيَوٰةَ ٱلدُّنْيَآ ﴿72﴾

Leemhuis

Zij zeiden: "Wij verkiezen jou niet boven de duidelijke tekenen die tot ons gekomen zijn en boven Hem die ons geschapen heeft. Beslis dus maar wat je wilt; jij beslist slechts over het tegenwoordige leven.

إِنَّآ ءَامَنَّا بِرَبِّنَا لِيَغْفِرَ لَنَا خَطَٰيَٰنَا وَمَآ أَكْرَهْتَنَا عَلَيْهِ مِنَ ٱلسِّحْرِ ۗ وَٱللَّهُ خَيْرٌۭ وَأَبْقَىٰٓ ﴿73﴾

Leemhuis

Wij geloven in onze Heer opdat Hij ons onze fouten vergeven zal en de toverij waartoe jij ons gedwongen hebt. God is beter en onvergankelijker."

إِنَّهُۥ مَن يَأْتِ رَبَّهُۥ مُجْرِمًۭا فَإِنَّ لَهُۥ جَهَنَّمَ لَا يَمُوتُ فِيهَا وَلَا يَحْيَىٰ ﴿74﴾

Leemhuis

Hij die tot zijn Heer komt als boosdoener, voor hem is de hel waarin hij niet zal sterven en niet zal leven.

وَمَن يَأْتِهِۦ مُؤْمِنًۭا قَدْ عَمِلَ ٱلصَّٰلِحَٰتِ فَأُو۟لَٰٓئِكَ لَهُمُ ٱلدَّرَجَٰتُ ٱلْعُلَىٰ ﴿75﴾

Leemhuis

Maar wie tot Hem komen als gelovigen die de deugdelijke daden gedaan hebben, zij zijn het voor wie de hoogste rangen zijn:

جَنَّٰتُ عَدْنٍۢ تَجْرِى مِن تَحْتِهَا ٱلْأَنْهَٰرُ خَٰلِدِينَ فِيهَا ۚ وَذَٰلِكَ جَزَآءُ مَن تَزَكَّىٰ ﴿76﴾

Leemhuis

de tuinen van 'Adn waar de rivieren onderdoor stromen; zij zullen altijd daarin blijven. Dat is de beloning voor wie gelouterd zijn.

وَلَقَدْ أَوْحَيْنَآ إِلَىٰ مُوسَىٰٓ أَنْ أَسْرِ بِعِبَادِى فَٱضْرِبْ لَهُمْ طَرِيقًۭا فِى ٱلْبَحْرِ يَبَسًۭا لَّا تَخَٰفُ دَرَكًۭا وَلَا تَخْشَىٰ ﴿77﴾

Leemhuis

En Wij hebben aan Moesa geopenbaard: "Vertrek 's nachts met Mijn dienaren en baan voor hen een droge weg in de zee zonder bang te zijn ingehaald te worden en zonder te vrezen."

فَأَتْبَعَهُمْ فِرْعَوْنُ بِجُنُودِهِۦ فَغَشِيَهُم مِّنَ ٱلْيَمِّ مَا غَشِيَهُمْ ﴿78﴾

Leemhuis

Toen volgde Fir'aun hen met zijn troepen, maar zij werden door de zee verzwolgen.

وَأَضَلَّ فِرْعَوْنُ قَوْمَهُۥ وَمَا هَدَىٰ ﴿79﴾

Leemhuis

Fir'aun bracht zijn volk tot dwaling en wees hun niet de goede richting.

يَٰبَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ قَدْ أَنجَيْنَٰكُم مِّنْ عَدُوِّكُمْ وَوَٰعَدْنَٰكُمْ جَانِبَ ٱلطُّورِ ٱلْأَيْمَنَ وَنَزَّلْنَا عَلَيْكُمُ ٱلْمَنَّ وَٱلسَّلْوَىٰ ﴿80﴾

Leemhuis

O Israëlieten, Wij hebben jullie van jullie vijand gered en Wij spraken met jullie aan de rechterkant van de berg af en Wij zonden het manna en de kwartels tot jullie neer.

كُلُوا۟ مِن طَيِّبَٰتِ مَا رَزَقْنَٰكُمْ وَلَا تَطْغَوْا۟ فِيهِ فَيَحِلَّ عَلَيْكُمْ غَضَبِى ۖ وَمَن يَحْلِلْ عَلَيْهِ غَضَبِى فَقَدْ هَوَىٰ ﴿81﴾

Leemhuis

Eet van de goede dingen waarmee Wij in jullie levensonderhoud voorzien, maar overdrijft daarbij niet zodat Mijn toorn over jullie losbarst; over wie Mijn toorn losbarst, die komt ten val.

وَإِنِّى لَغَفَّارٌۭ لِّمَن تَابَ وَءَامَنَ وَعَمِلَ صَٰلِحًۭا ثُمَّ ٱهْتَدَىٰ ﴿82﴾

Leemhuis

Maar Ik ben een vergever voor wie berouw toont, gelooft en deugdelijk handelt en zich dan op het goede pad laat brengen.

۞ وَمَآ أَعْجَلَكَ عَن قَوْمِكَ يَٰمُوسَىٰ ﴿83﴾

Leemhuis

"En wat brengt jou zo haastig bij je volk vandaan, Moesa?"

قَالَ هُمْ أُو۟لَآءِ عَلَىٰٓ أَثَرِى وَعَجِلْتُ إِلَيْكَ رَبِّ لِتَرْضَىٰ ﴿84﴾

Leemhuis

Hij zei: "Zij zijn het die achter mij aan zijn en ik heb mij naar U gehaast, mijn Heer, opdat U tevreden zou zijn."

قَالَ فَإِنَّا قَدْ فَتَنَّا قَوْمَكَ مِنۢ بَعْدِكَ وَأَضَلَّهُمُ ٱلسَّامِرِىُّ ﴿85﴾

Leemhuis

Hij zei: "Wij hebben jouw volk in verzoeking gebracht nadat jij weggegaan was en de Samiriet heeft hen tot dwaling gebracht."

فَرَجَعَ مُوسَىٰٓ إِلَىٰ قَوْمِهِۦ غَضْبَٰنَ أَسِفًۭا ۚ قَالَ يَٰقَوْمِ أَلَمْ يَعِدْكُمْ رَبُّكُمْ وَعْدًا حَسَنًا ۚ أَفَطَالَ عَلَيْكُمُ ٱلْعَهْدُ أَمْ أَرَدتُّمْ أَن يَحِلَّ عَلَيْكُمْ غَضَبٌۭ مِّن رَّبِّكُمْ فَأَخْلَفْتُم مَّوْعِدِى ﴿86﴾

Leemhuis

Toen keerde Moesa toornig en vol spijt tot zijn volk terug. Hij zei: "Mijn volk! Heeft jullie Heer jullie niet een goede toezegging gedaan? Duurde de tijd jullie te lang of wensten jullie dat er toorn van jullie Heer over jullie los zou barsten, zodat jullie de afspraak met mij niet nakwamen?"

قَالُوا۟ مَآ أَخْلَفْنَا مَوْعِدَكَ بِمَلْكِنَا وَلَٰكِنَّا حُمِّلْنَآ أَوْزَارًۭا مِّن زِينَةِ ٱلْقَوْمِ فَقَذَفْنَٰهَا فَكَذَٰلِكَ أَلْقَى ٱلسَّامِرِىُّ ﴿87﴾

Leemhuis

Zij zeiden: "Wij zijn niet uit eigen beweging de afspraak met jou niet nagekomen, maar wij werden overladen met hele ladingen sieraden van de mensen. Die hebben wij toen [in het vuur] gegooid en de Samiriet deed dat ook.

فَأَخْرَجَ لَهُمْ عِجْلًۭا جَسَدًۭا لَّهُۥ خُوَارٌۭ فَقَالُوا۟ هَٰذَآ إِلَٰهُكُمْ وَإِلَٰهُ مُوسَىٰ فَنَسِىَ ﴿88﴾

Leemhuis

Hij bracht toen voor hen een kalf tevoorschijn, als een lichaam met geloei. En zij zeiden: "Dit is jullie god en de god van Moesa, maar hij was het vergeten."

أَفَلَا يَرَوْنَ أَلَّا يَرْجِعُ إِلَيْهِمْ قَوْلًۭا وَلَا يَمْلِكُ لَهُمْ ضَرًّۭا وَلَا نَفْعًۭا ﴿89﴾

Leemhuis

Zien zij dan niet dat het niets tot hen terugzegt en dat het voor hen niets schadelijks en niets nuttigs kan uitrichten?

وَلَقَدْ قَالَ لَهُمْ هَٰرُونُ مِن قَبْلُ يَٰقَوْمِ إِنَّمَا فُتِنتُم بِهِۦ ۖ وَإِنَّ رَبَّكُمُ ٱلرَّحْمَٰنُ فَٱتَّبِعُونِى وَأَطِيعُوٓا۟ أَمْرِى ﴿90﴾

Leemhuis

En Haroen had al van tevoren tot hen gezegd: "O mijn volk! Jullie worden daarmee in verzoeking gebracht. Jullie Heer is toch de Erbarmer! Volgt mij dus en gehoorzaamt mijn bevel."

قَالُوا۟ لَن نَّبْرَحَ عَلَيْهِ عَٰكِفِينَ حَتَّىٰ يَرْجِعَ إِلَيْنَا مُوسَىٰ ﴿91﴾

Leemhuis

Zij zeiden: "Wij zullen niet ophouden het eer te bewijzen zolang Moesa niet tot ons terugkomt."

قَالَ يَٰهَٰرُونُ مَا مَنَعَكَ إِذْ رَأَيْتَهُمْ ضَلُّوٓا۟ ﴿92﴾

Leemhuis

Hij zei: "O Haroen, wat weerhield jou toen jij zag dat zij dwaalden,

أَلَّا تَتَّبِعَنِ ۖ أَفَعَصَيْتَ أَمْرِى ﴿93﴾

Leemhuis

dat jij mij niet gevolgd bent? Was jij ongehoorzaam aan mijn bevel?"

قَالَ يَبْنَؤُمَّ لَا تَأْخُذْ بِلِحْيَتِى وَلَا بِرَأْسِىٓ ۖ إِنِّى خَشِيتُ أَن تَقُولَ فَرَّقْتَ بَيْنَ بَنِىٓ إِسْرَٰٓءِيلَ وَلَمْ تَرْقُبْ قَوْلِى ﴿94﴾

Leemhuis

Hij zei: "Zoon van mijn moeder, grijp mij niet bij mijn baard en bij mijn hoofd. Ik vreesde dat jij zou zeggen: 'Jij hebt de Israëlieten opgesplitst en je niet gehouden aan wat ik zei.?"

قَالَ فَمَا خَطْبُكَ يَٰسَٰمِرِىُّ ﴿95﴾

Leemhuis

Hij zei: "En hoe is het met jou, o Samiriet?"

قَالَ بَصُرْتُ بِمَا لَمْ يَبْصُرُوا۟ بِهِۦ فَقَبَضْتُ قَبْضَةًۭ مِّنْ أَثَرِ ٱلرَّسُولِ فَنَبَذْتُهَا وَكَذَٰلِكَ سَوَّلَتْ لِى نَفْسِى ﴿96﴾

Leemhuis

Hij zei: "Ik had inzicht in iets waarin zij dat niet hadden en ik nam een handvol van het spoor van de gezant en heb het [over het kalf] geworpen. Dat had ik mijzelf zo wijsgemaakt."

قَالَ فَٱذْهَبْ فَإِنَّ لَكَ فِى ٱلْحَيَوٰةِ أَن تَقُولَ لَا مِسَاسَ ۖ وَإِنَّ لَكَ مَوْعِدًۭا لَّن تُخْلَفَهُۥ ۖ وَٱنظُرْ إِلَىٰٓ إِلَٰهِكَ ٱلَّذِى ظَلْتَ عَلَيْهِ عَاكِفًۭا ۖ لَّنُحَرِّقَنَّهُۥ ثُمَّ لَنَنسِفَنَّهُۥ فِى ٱلْيَمِّ نَسْفًا ﴿97﴾

Leemhuis

Hij zei: "Ga weg, jouw lot in het leven zal zijn dat je moet zeggen: 'Niet aanraken!? En voor jou is er een afspraak waaraan jij je niet kunt onttrekken. En kijk dan naar jouw god, die jij eer bleef bewijzen. Wij zullen hem zeker verbranden en dan in de zee verstrooien.

إِنَّمَآ إِلَٰهُكُمُ ٱللَّهُ ٱلَّذِى لَآ إِلَٰهَ إِلَّا هُوَ ۚ وَسِعَ كُلَّ شَىْءٍ عِلْمًۭا ﴿98﴾

Leemhuis

Jullie god is God alleen, buiten wie er geen andere god is. Hij omvat alles met Zijn kennis."

كَذَٰلِكَ نَقُصُّ عَلَيْكَ مِنْ أَنۢبَآءِ مَا قَدْ سَبَقَ ۚ وَقَدْ ءَاتَيْنَٰكَ مِن لَّدُنَّا ذِكْرًۭا ﴿99﴾

Leemhuis

Zo vertellen Wij jou berichten over wat vroeger gebeurde en Wij hebben tot jou van Onze kant een vermaning laten komen.

مَّنْ أَعْرَضَ عَنْهُ فَإِنَّهُۥ يَحْمِلُ يَوْمَ ٱلْقِيَٰمَةِ وِزْرًا ﴿100﴾

Leemhuis

Wie zich daarvan afwenden, die zullen op de opstandingsdag een last te dragen hebben;

خَٰلِدِينَ فِيهِ ۖ وَسَآءَ لَهُمْ يَوْمَ ٱلْقِيَٰمَةِ حِمْلًۭا ﴿101﴾

Leemhuis

zij zullen er altijd in blijven en op de opstandingsdag zal het voor hen slecht te dragen zijn.

يَوْمَ يُنفَخُ فِى ٱلصُّورِ ۚ وَنَحْشُرُ ٱلْمُجْرِمِينَ يَوْمَئِذٍۢ زُرْقًۭا ﴿102﴾

Leemhuis

Op de dag dat op de bazuin geblazen wordt! Wij zullen op die dag de boosdoeners, verblind en verschrikt als zij zijn, verzamelen,

يَتَخَٰفَتُونَ بَيْنَهُمْ إِن لَّبِثْتُمْ إِلَّا عَشْرًۭا ﴿103﴾

Leemhuis

terwijl zij onder elkaar fluisteren: "Het heeft voor jullie slechts tien [dagen] geduurd."

نَّحْنُ أَعْلَمُ بِمَا يَقُولُونَ إِذْ يَقُولُ أَمْثَلُهُمْ طَرِيقَةً إِن لَّبِثْتُمْ إِلَّا يَوْمًۭا ﴿104﴾

Leemhuis

Wij weten het best wat zij zeggen, wanneer de voorbeeldigste van hen in levenswandel zegt: "Het heeft voor jullie slechts een dag geduurd."

وَيَسْـَٔلُونَكَ عَنِ ٱلْجِبَالِ فَقُلْ يَنسِفُهَا رَبِّى نَسْفًۭا ﴿105﴾

Leemhuis

En zij vragen jou naar de bergen. Zeg: "Mijn Heer zal ze geheel verstrooien

فَيَذَرُهَا قَاعًۭا صَفْصَفًۭا ﴿106﴾

Leemhuis

en ze als een kale vlakte achterlaten,

لَّا تَرَىٰ فِيهَا عِوَجًۭا وَلَآ أَمْتًۭا ﴿107﴾

Leemhuis

waarin je geen kronkels en geen hobbels ziet."

يَوْمَئِذٍۢ يَتَّبِعُونَ ٱلدَّاعِىَ لَا عِوَجَ لَهُۥ ۖ وَخَشَعَتِ ٱلْأَصْوَاتُ لِلرَّحْمَٰنِ فَلَا تَسْمَعُ إِلَّا هَمْسًۭا ﴿108﴾

Leemhuis

Op die dag zullen zij de oproeper volgen tot wie er geen kronkelweg is en de stemmen zullen deemoedig tot de Erbarmer opklinken en je zult slechts geschuifel horen.

يَوْمَئِذٍۢ لَّا تَنفَعُ ٱلشَّفَٰعَةُ إِلَّا مَنْ أَذِنَ لَهُ ٱلرَّحْمَٰنُ وَرَضِىَ لَهُۥ قَوْلًۭا ﴿109﴾

Leemhuis

Op die dag heeft voorspraak alleen maar nut voor hem aan wie de Erbarmer het heeft toegestaan en wiens woorden Hem welgevallig zijn.

يَعْلَمُ مَا بَيْنَ أَيْدِيهِمْ وَمَا خَلْفَهُمْ وَلَا يُحِيطُونَ بِهِۦ عِلْمًۭا ﴿110﴾

Leemhuis

Hij weet wat vóór hen is en wat achter hen is terwijl zij Hem met hun kennis niet bevatten. *

۞ وَعَنَتِ ٱلْوُجُوهُ لِلْحَىِّ ٱلْقَيُّومِ ۖ وَقَدْ خَابَ مَنْ حَمَلَ ظُلْمًۭا ﴿111﴾

Leemhuis

En de gezichten zwichten voor de Levende, de Standvastige en teleurgesteld wordt hij wiens last onrecht is.

وَمَن يَعْمَلْ مِنَ ٱلصَّٰلِحَٰتِ وَهُوَ مُؤْمِنٌۭ فَلَا يَخَافُ ظُلْمًۭا وَلَا هَضْمًۭا ﴿112﴾

Leemhuis

Maar wie deugdelijke daden doet, terwijl hij gelovig is, die zal voor onrecht niet bang zijn en ook niet dat hem tekort gedaan wordt.

وَكَذَٰلِكَ أَنزَلْنَٰهُ قُرْءَانًا عَرَبِيًّۭا وَصَرَّفْنَا فِيهِ مِنَ ٱلْوَعِيدِ لَعَلَّهُمْ يَتَّقُونَ أَوْ يُحْدِثُ لَهُمْ ذِكْرًۭا ﴿113﴾

Leemhuis

En zo hebben Wij het neergezonden als een Arabische Koran en Wij hebben er uiteenzettingen van dreigementen in gegeven; misschien zullen zij godvrezend worden of brengt hij voor hen een nieuwe vermaning.

فَتَعَٰلَى ٱللَّهُ ٱلْمَلِكُ ٱلْحَقُّ ۗ وَلَا تَعْجَلْ بِٱلْقُرْءَانِ مِن قَبْلِ أَن يُقْضَىٰٓ إِلَيْكَ وَحْيُهُۥ ۖ وَقُل رَّبِّ زِدْنِى عِلْمًۭا ﴿114﴾

Leemhuis

Hoogverheven is God, de ware koning. En haast je niet met de Koran voordat de openbaring ervan aan jou geheel is geschied en zeg: "Mijn Heer, geef mij meer kennis."

وَلَقَدْ عَهِدْنَآ إِلَىٰٓ ءَادَمَ مِن قَبْلُ فَنَسِىَ وَلَمْ نَجِدْ لَهُۥ عَزْمًۭا ﴿115﴾

Leemhuis

En Wij hadden vroeger aan Adam opdracht gegeven maar hij vergat het; Wij vonden bij hem geen vastbeslotenheid.

وَإِذْ قُلْنَا لِلْمَلَٰٓئِكَةِ ٱسْجُدُوا۟ لِءَادَمَ فَسَجَدُوٓا۟ إِلَّآ إِبْلِيسَ أَبَىٰ ﴿116﴾

Leemhuis

Toen Wij tot de engelen zeiden: "Buigt eerbiedig neer voor Adam", bogen zij eerbiedig neer, behalve Iblies; hij weigerde.

فَقُلْنَا يَٰٓـَٔادَمُ إِنَّ هَٰذَا عَدُوٌّۭ لَّكَ وَلِزَوْجِكَ فَلَا يُخْرِجَنَّكُمَا مِنَ ٱلْجَنَّةِ فَتَشْقَىٰٓ ﴿117﴾

Leemhuis

Wij zeiden dus tot Adam: "Dit is een vijand van jou en je echtgenote; laat hij jullie dus niet uit de tuin verdrijven want dan zul je ongelukkig zijn.

إِنَّ لَكَ أَلَّا تَجُوعَ فِيهَا وَلَا تَعْرَىٰ ﴿118﴾

Leemhuis

Het is jou gegund dat jij er geen honger hebt noch naakt bent

وَأَنَّكَ لَا تَظْمَؤُا۟ فِيهَا وَلَا تَضْحَىٰ ﴿119﴾

Leemhuis

en dat jij er geen dorst hebt noch onder de hitte lijdt."

فَوَسْوَسَ إِلَيْهِ ٱلشَّيْطَٰنُ قَالَ يَٰٓـَٔادَمُ هَلْ أَدُلُّكَ عَلَىٰ شَجَرَةِ ٱلْخُلْدِ وَمُلْكٍۢ لَّا يَبْلَىٰ ﴿120﴾

Leemhuis

Maar de satan fluisterde hem in en zei: "O Adam zal ik jou de boom van het eeuwige leven wijzen en een heerschappij die niet vergaat?"

فَأَكَلَا مِنْهَا فَبَدَتْ لَهُمَا سَوْءَٰتُهُمَا وَطَفِقَا يَخْصِفَانِ عَلَيْهِمَا مِن وَرَقِ ٱلْجَنَّةِ ۚ وَعَصَىٰٓ ءَادَمُ رَبَّهُۥ فَغَوَىٰ ﴿121﴾

Leemhuis

Toen aten zij er beiden van en hun schaamte werd voor hen zichtbaar en zij begonnen zich te bedekken met aaneengehechte bladeren uit de tuin. Adam was ongehoorzaam aan zijn Heer en misleid.

ثُمَّ ٱجْتَبَٰهُ رَبُّهُۥ فَتَابَ عَلَيْهِ وَهَدَىٰ ﴿122﴾

Leemhuis

Daarna verkoos zijn Heer hem, wendde zich genadig tot hem en bracht hem op het goede pad.

قَالَ ٱهْبِطَا مِنْهَا جَمِيعًۢا ۖ بَعْضُكُمْ لِبَعْضٍ عَدُوٌّۭ ۖ فَإِمَّا يَأْتِيَنَّكُم مِّنِّى هُدًۭى فَمَنِ ٱتَّبَعَ هُدَاىَ فَلَا يَضِلُّ وَلَا يَشْقَىٰ ﴿123﴾

Leemhuis

Hij zei: "Daalt beiden er tezamen uit af -- elkaar tot vijand. Als er dan van Mij een leidraad komt, dan zal wie Mijn leidraad navolgt niet dwalen en niet ongelukkig zijn.

وَمَنْ أَعْرَضَ عَن ذِكْرِى فَإِنَّ لَهُۥ مَعِيشَةًۭ ضَنكًۭا وَنَحْشُرُهُۥ يَوْمَ ٱلْقِيَٰمَةِ أَعْمَىٰ ﴿124﴾

Leemhuis

Maar wie zich van Mijn vermaning afwendt die zal een benauwd leven leiden en Wij zullen hem op de opstandingsdag blind ter verzameling opbrengen.

قَالَ رَبِّ لِمَ حَشَرْتَنِىٓ أَعْمَىٰ وَقَدْ كُنتُ بَصِيرًۭا ﴿125﴾

Leemhuis

Hij zal zeggen: "Mijn Heer, waarom hebt U mij blind ter verzameling opgebracht, terwijl ik toch kon zien?"

قَالَ كَذَٰلِكَ أَتَتْكَ ءَايَٰتُنَا فَنَسِيتَهَا ۖ وَكَذَٰلِكَ ٱلْيَوْمَ تُنسَىٰ ﴿126﴾

Leemhuis

Hij zegt: "Zo is het, Onze tekenen zijn tot jou gekomen, maar jij hebt ze vergeten, evenzo word jij vandaag dus vergeten."

وَكَذَٰلِكَ نَجْزِى مَنْ أَسْرَفَ وَلَمْ يُؤْمِنۢ بِـَٔايَٰتِ رَبِّهِۦ ۚ وَلَعَذَابُ ٱلْءَاخِرَةِ أَشَدُّ وَأَبْقَىٰٓ ﴿127﴾

Leemhuis

Zo zullen Wij ook aan hem die onmatig is en die niet in de tekenen van zijn Heer gelooft vergelden. De bestraffing van het hiernamaals is strenger en onvergankelijker.

أَفَلَمْ يَهْدِ لَهُمْ كَمْ أَهْلَكْنَا قَبْلَهُم مِّنَ ٱلْقُرُونِ يَمْشُونَ فِى مَسَٰكِنِهِمْ ۗ إِنَّ فِى ذَٰلِكَ لَءَايَٰتٍۢ لِّأُو۟لِى ٱلنُّهَىٰ ﴿128﴾

Leemhuis

Is het hun dan niet duidelijk hoeveel generaties van wie in de woningen wandelen Wij al vóór hun tijd vernietigd hebben? Daarin zijn tekenen voor de schranderen.

وَلَوْلَا كَلِمَةٌۭ سَبَقَتْ مِن رَّبِّكَ لَكَانَ لِزَامًۭا وَأَجَلٌۭ مُّسَمًّۭى ﴿129﴾

Leemhuis

En als er al niet eerder een woord van jouw Heer gekomen was en een vastgestelde termijn, dan was het onafwendbaar geweest.

فَٱصْبِرْ عَلَىٰ مَا يَقُولُونَ وَسَبِّحْ بِحَمْدِ رَبِّكَ قَبْلَ طُلُوعِ ٱلشَّمْسِ وَقَبْلَ غُرُوبِهَا ۖ وَمِنْ ءَانَآئِ ٱلَّيْلِ فَسَبِّحْ وَأَطْرَافَ ٱلنَّهَارِ لَعَلَّكَ تَرْضَىٰ ﴿130﴾

Leemhuis

Verdraag wat zij zeggen dus geduldig en prijs de lof van jouw Heer voor zonsopgang en voor haar ondergang en lofprijst gedurende de nacht en op de uiteinden van de dag; misschien ben jij dan tevreden.

وَلَا تَمُدَّنَّ عَيْنَيْكَ إِلَىٰ مَا مَتَّعْنَا بِهِۦٓ أَزْوَٰجًۭا مِّنْهُمْ زَهْرَةَ ٱلْحَيَوٰةِ ٱلدُّنْيَا لِنَفْتِنَهُمْ فِيهِ ۚ وَرِزْقُ رَبِّكَ خَيْرٌۭ وَأَبْقَىٰ ﴿131﴾

Leemhuis

En kijk niet met uitpuilende ogen naar wat Wij sommigen van hen als vruchtgebruik gegeven hebben, de schittering van het tegenwoordige leven, om hen daarmee in verzoeking te brengen. En het levensonderhoud van jouw Heer is beter en onvergankelijker.

وَأْمُرْ أَهْلَكَ بِٱلصَّلَوٰةِ وَٱصْطَبِرْ عَلَيْهَا ۖ لَا نَسْـَٔلُكَ رِزْقًۭا ۖ نَّحْنُ نَرْزُقُكَ ۗ وَٱلْعَٰقِبَةُ لِلتَّقْوَىٰ ﴿132﴾

Leemhuis

En leg jouw mensen de salaat op. Volhard jij er ook in. Wij vragen van jou geen levensonderhoud. Wij zijn het die jou levensonderhoud geven en het [goede] uiteinde komt de godvrezendheid toe.

وَقَالُوا۟ لَوْلَا يَأْتِينَا بِـَٔايَةٍۢ مِّن رَّبِّهِۦٓ ۚ أَوَلَمْ تَأْتِهِم بَيِّنَةُ مَا فِى ٱلصُّحُفِ ٱلْأُولَىٰ ﴿133﴾

Leemhuis

En zij zeiden: "Had hij ons geen teken van zijn Heer kunnen brengen?" Is tot hen dan niet als duidelijk bewijs gekomen wat er in de eerdere bladen staat?

وَلَوْ أَنَّآ أَهْلَكْنَٰهُم بِعَذَابٍۢ مِّن قَبْلِهِۦ لَقَالُوا۟ رَبَّنَا لَوْلَآ أَرْسَلْتَ إِلَيْنَا رَسُولًۭا فَنَتَّبِعَ ءَايَٰتِكَ مِن قَبْلِ أَن نَّذِلَّ وَنَخْزَىٰ ﴿134﴾

Leemhuis

En als Wij hen vernietigd hadden door een bestraffing vóór zijn komst, dan hadden zij gezegd: "Onze Heer, had U tot ons niet een gezant kunnen zenden, zodat wij Uw tekenen hadden kunnen volgen voordat wij vernederd en te schande gemaakt werden?"

قُلْ كُلٌّۭ مُّتَرَبِّصٌۭ فَتَرَبَّصُوا۟ ۖ فَسَتَعْلَمُونَ مَنْ أَصْحَٰبُ ٱلصِّرَٰطِ ٱلسَّوِىِّ وَمَنِ ٱهْتَدَىٰ ﴿135﴾

Leemhuis

Zeg: "Iedereen wacht af; wacht dus maar af. Dan zullen jullie weten wie de mensen van de effen weg zijn en wie het goede pad volgen."

Quran recitationReady
Open audio